Martin Rinckart (1586–1649)

Martin Rinckart (1586-1649) werd te Eilenburg in Duitsland geboren en ligt daar in de stadskerk begraven. Vanaf 1617 tot zijn overlijden was hij er Luthers predikant (beter gezegd: aartsdiaken), precies tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Het stadje had er erg onder te lijden. Het werd door de Zweden verwoest en door de Oostenrijkers geplunderd. Van de duizend huizen lagen er achthonderd in puin. In deze oorlog verloor bijna de helft van alle Duitse mannen het leven, en van de totale Duitse bevolking stierf bijna een derde, vooral door honger en ziekte. Eilenburg werd een toevluchtsoord voor vele vluchtelingen, met alle zorgen die dat met zich meebrengt. 

In 1637 woedde er een grote pestepidemie. Er waren toen vier predikanten in Eilenburg. Eén, de superintendent, verliet zijn post om naar een gezondere omgeving te gaan. Rinckart verzorgde de begrafenisdiensten van de andere twee. Als enige overgebleven herder bleef hij voor zijn kudde zorgen en leidde hij elke dag begrafenissen voor wel 40 tot 50 personen – in totaal bijna 4.500 mensen. In mei van dat jaar stierf zijn vrouw. Hij dichtte twee liederen ter nagedachtenis aan haar. Ook een broer van hem stierf aan de pest. Het totale aantal overledenen was ca. 8.000. Op den duur moesten ze zonder dienst in greppels begraven worden.

De pest werd in 1638 gevolgd door een zeer zware hongersnood, waarin soms twintig of dertig mensen op straat vochten om een dode kraai of kat. Rinckart hielp de mensen zoveel mogelijk. Daardoor had hij gedurende jaren de grootste moeite om zijn eigen kinderen van brood en kleding te voorzien.

Ook redde hij Eilenburg tweemaal van de vijandelijke Zweden, in 1637 en in 1639. Toen zij de stad een enorme geldsom van 30.000 daalders oplegden, waagde Rinckart zich in hun kamp en smeekte de generaal om genade. Ze werd hem geweigerd. Rinckart wendde zich tot de burgers die hem gevolgd waren en zei: ‘Kom, mijn kinderen, wij kunnen bij de mensen geen gehoor, geen barmhartigheid vinden; laten wij onze toevlucht tot God nemen.’ Hij viel op zijn knieën en bad met zo’n ontroerende ernst dat de Zweedse generaal milder werd en zijn eis terugbracht tot 2.000 daalders.

Door alles heen mocht Rinckart op de Heere blijven vertrouwen en iets in praktijk brengen van: ‘Dankt God in alles.’ Zijn zegelring droeg het opschrift MVSICA, de beginletters van: Mein Vertrauen Steht In Christo Allein (Mijn vertrouwen staat op Christus alleen).

 

Het lied ‘Nun danket alle Gott’ werd voor het eerst in het jaar voorafgaand aan de pest zonder melodie gepubliceerd in Rinkart’s Jesu Hertz-Büchlein (Leipzig, 1636), als onderdeel van een tafelgebed. In het voorwoord op zijn Die Meisnische Thränen-Saat (Leipzig, 1637) beschrijft hij hoe de gezangen in zijn Hertz-Büchlein zes of zeven jaar eerder gecomponeerd waren, dus ook dit lied kan hij al rond 1630 gedicht hebben. De twee eerste verzen zijn een berijming van het apocriefe boek Jezus Sirach 50:22-24 in de Luthervertaling. Het laatste vers is een doxologie.

Nun danket alle Gott

1. Nun danket alle Gott

mit Herzen, Mund und Händen;

der große Dinge tut

an uns und allen Enden;

der uns von Mutterleib

und Kindesbeinen an

unzählig viel zu gut

und noch jetzund getan.

 

2. Der ewig reiche Gott

woll uns auf unserm Leben

ein immer fröhlich Herz

und edlen Frieden geben;

und uns in seiner Gnad

erhalten fort und fort,

und uns aus aller Not

erlösen hier und dort.

 

3. Lob, Ehr und Preis sei Gott,

dem Vater und dem Sohne

und dem der beiden gleich

im höchsten Himmelsthrone;

dem dreimal einen Gott,

als Er ursprünglich war

und ist und bleiben wird

jetzund und immerdar.

Dankt, dankt nu allen God

1. Dankt, dankt nu allen God

met hart en mond en handen;

Die grote dingen doet,

hier en in alle landen;

Die ons van moeders buik,

Ja, ook van kindsbeen aan,

ontelbaar zoveel goeds

tot nog toe heeft gedaan.

 

2. Die eeuwig rijke God

moog’ ons reeds in dit leven

een immer vrolijk hart

en eed’le vrede geven;

moog’ uit genade ons

behouden t’ allen tijd;

zij ons in allen nood

een Helper Die bevrijdt.

 

3. Lof, eer en prijs zij God,

den Vader en den Zone,

en Hem, aan Hun gelijk,

in d’ hoogste hemeltrone;

Den driemaal enen God,

Die was ook vóór de tijd,

En is en blijven zal

Tot in all’ eeuwigheid!