Te Deum laudamus – Grote God, wij loven U

van Nicetas, bisschop van Remesiana?

Het Nederlandse lied ‘Grote God, wij loven U’ is op het Latijnse Te Deum gebaseerd.

Er bestaat een legende dat bisschop Ambrosius van Milaan deze tekst in beurtzang met Augustinus heeft gezongen ter gelegenheid van diens doop.

Het Te Deum wordt door sommigen toegeschreven aan Nicetas, bisschop van Remesiana, en zou dan rond het jaar 400 zijn ontstaan. Maar mogelijk dateert het al van veel eerder.

1. Te Deum laudamus; te Dominum confitemur.

Te æternum Patrem omnis terra veneratur;

Tibi omnes angeli, tibi cæli: et universæ potestates,

Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant:

Sanctus, Sanctus, Sanctus Dominus Deus Sabaoth.

Pleni sunt cæli et terra maiestatis gloriæ tuæ.

 

2. Te gloriosus Apostolorum chorus,

Te Prophetarum laudabilis numerus,

Te Martyrum candidatus laudat exercitus.

Te per orbem terrarum sancta confitetur Ecclesia:

Patrem immensæ maiestatis,

Venerandum tuum, verum, unigenitum Filium,

Sanctum quoque Paraclytum Spiritum.

 

3. Tu Rex gloriæ, Christe,

Tu Patris sempiternus es Filius.

Tu ad liberandum suscepturus hominem

non horruisti virginis uterum.

Tu devicto mortis aculeo,

aperuisti credentibus regna cælorum.

Tu ad dexteram Dei sedens in gloria Patris.

Iudex crederis esse venturus.

Te ergo quæsumus, tuis famulis subveni,

quos pretioso sanguine redemisti;

Aeterna fac cum sanctis tuis in gloria munerari.

 

4. Salvum fac populum tuum Domine, et benedic hereditati tuæ.

Et rege eos, et extolle illos, usque in æternum.

Per singulos dies, benedicimus te,

et laudamus nomen tuum in sæculum et in sæculum sæculi.

Dignare Domine die isto sine peccato nos custodire.

Miserere nostri Domine, miserere nostri.

Fiat misericordia tua Domine super nos,

quem admodum speravimus in te.

In te Domine speravi;

non confundar in æternum.

1. U God, U loven wij; U Heere, belijden wij.

U eeuwige Vader, aanbidt de ganse aarde;

U roepen alle engelen, U roepen de hemelen en alle machten,

U roepen de cherubijnen en serafijnen onophoudelijk toe:

Heilig, heilig, heilig is de Heere, de God der heirscharen;

Hemel en aarde zijn vol van de majesteit Uwer heerlijkheid.

 

2. U looft het heerlijke koor der apostelen,

U looft het achtenswaardige getal der profeten,

U looft de witgeklede schare der martelaren.

U belijdt de heilige Kerk over de gehele aarde:

De Vader van onmetelijke majesteit,

Uw aanbiddelijke, ware, eniggeboren Zoon,

Alsmede de Trooster, de Heilige Geest.

 

3. Gij Koning der ere, Christus,

Gij zijt de eeuwige Zoon van de Vader.

Gij hebt de schoot van de maagd niet verfoeid

Om mens te worden tot onze verlossing.

Gij hebt door de overwinning op de prikkel van de dood

Het Koninkrijk der hemelen voor de gelovigen geopend.

Gij zijt gezeten ter rechterhand Gods in de heerlijkheid van de Vader.

Wij geloven dat Gij als onze Rechter zult komen.

Daarom smeken wij U: Kom Uw dienaren te hulp,

Die Gij met Uw dierbaar bloed hebt vrijgekocht;

Laat hen in de eeuwige heerlijkheid met Uw heiligen beloond worden.

[Onderstaande is later toegevoegd, vooral uit psalmverzen:]

4. Heere, verlos Uw volk en zegen Uw erve,

En weid hen, en verhef hen tot in der eeuwigheid.

Te allen dage zullen wij U loven,

En Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altoos.

Heere, wil ons heden zonder zonde bewaren.

Ontferm U onzer, Heere, ontferm U onzer.

Uw goedertierenheid, Heere, zij over ons,

Gelijk als wij op U hopen.

Op U, Heere, betrouw ik,

Laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.

 

Dit lied is door de ‘eerste martelaars der Hervorming’ op de brandstapel gelezen of gezongen. Twee Augustijner monniken, Hendrik Voes en Jan van Esschen, werden vanwege ‘lutherije’ op 6 oktober 1522 in Antwerpen gevangen genomen en in het kasteel van Vilvoorde opgesloten. Later werden ze naar Brussel (België bestond toen nog niet; het hoorde allemaal bij de Nederlanden) gebracht en tot de brandstapel veroordeeld. Op zaterdag 1 juli 1523 werden ze naar de markt gebracht, waar een brandstapel was opgericht. De biechtvaders die hen vergezelden, vroegen hen of ze hun dwalingen wilden herroepen, maar ze antwoordden: ‘Wij geloven in God en ook in een christelijke kerk, maar wij geloven niet in uw kerk.’ Toen werd het vuur aangestoken en ze bemoedigden elkaar door het Te Deum laudamus te zingen. Daarna riepen ze: ‘Heere, Jezus, Zone Davids, ontferm U onzer.’ Het koord dat een van hen vasthield, was verteerd, zodat hij op zijn knieën midden in de vuurgloed viel. Hij vouwde de handen samen en riep nog: ‘Het schijnt mij toe dat er rozen rondgestrooid zijn.’ Vervolgens werden ze in de as verteerd. De terecht­stelling had vier uur geduurd.

 

Een Brussels anoniem gebleven kroniekschrijver die de terechtstelling bijwoonde, beschreef deze als volgt: ‘In hetzelfde jaar, op de eerste dag van de maand juli, werden te Brussel, op de markt, voor het stadhuis, op een grote stelling die daar toentertijd gemaakt was, drie priesters van de orde van St. Augustinus gedegradeerd en ontwijd, die van Antwerpen te Brussel gebracht waren en veroordeeld waren te sterven door vuur en brand. Twee van hen werden aan een staak al levend tot pulver verbrand op dezelfde markt voor het Broodhuis aldaar, want ze wilden hun opvatting van lutherije of ketterij niet opgeven of herroepen. En toen de twee bovengenoemde personen aan de staak gebonden waren om te verbranden, hebben ze God geloofd en geprezen, terwijl ze om beurten Te Deum laudamus lazen, in het Latijn nog een litanie zongen: Haec est crux sancta diu a me desiderata ... [Dit is het heilig kruis, door mij sinds lang begeerd] en zo zich verblijdden en naar de dood haakten. De menigte en veel mensen van Brussel, die deze bovengenoemde terechtstelling zagen, verwonderden zich daarom zeer en murmureerden grotelijks, want het algemene gerucht ging dat ze als goede christenmensen waren gestorven.’

 

[Origineel: ‘In ’t selve jaer, op den eersten dach der meent van Julio, soe wordden te Bruessele, op de merct, voer der stadthuys, op een groote stellinghe, die aldaer doen tertyt gemaect was, gedegradeert ende ontwijdt drye priesters van der oirdenen van sinte Augustyne, diewelcke van Antwerpen te Bruessel gebracht waeren, diewelcke gecondemneert waeren te stervene metten viere ende brande: daeraff de twee aen eenen staeck al levende ten polvere verbrandt waeren op de deselve merct voor het Broothuys aldaar, want sie huere opinie van Lutherie oft ketterye nyet afgaen noch oyck revoceren en wilden. Ende de twee voerscr. persoonen aen den staeck gebonden synde om te verbrandene, hebben sy God geloeft ende gebenedyt, lesende overhandt: Te Deum laudamus ende singende in den latyne noch eene litanye:  Hee est crux sancta diu a me desiderata, etc. Ende alsoe henlieden verblidende, haeckende nae de doot, deer doere dat de gemeynte ende vele lieden van Bruessele sinde dese voirs. justitie seere hen waeren verwonderende ende grootelycken murmererende, want de gemeyne fame was gaende dat se goeden kersten menschen waeren gestorven.’]

 

Het nieuws van dit martelaarschap verbreidde zich snel. Luther (zelf ook Augustijner monnik) maakte er reeds voor het einde van de maand melding van in zijn brieven. Een ooggetuige meldt dat toen Luther het bericht hoorde, ‘hij innerlijk begon te wenen en met van tranen vervulde stem zei: ‘Ik dacht dat ik de eerste zou zijn, die om het Heilig Evangelie de marteldood zou sterven, maar ik ben niet waardig geweest...’ Hij stuurde een open brief aan de christenen in de Nederlanden (Eyn brieff an die Christen ym Nidderland, M. Luther) en dichtte een gezang met 12 verzen, gewijd aan de nagedachtenis van deze mannen (Ein neu Lied von den zweyen Marterern Christi, zü Brüssel von den Sophisten ze Löwen verbrannt/Een nieuw lied over de twee martelaren van Christus, te Brussel door de sofisten van Leuven verbrand). De melodie heeft hij er waarschijnlijk ook zelf bij gemaakt. De verzen 1 en 8 luiden:

 

1. Een nieuw lied wij heffen aan,

dat wil God, onze Heere;

te zingen, wat God heeft gedaan

te Zijner lof en ere.

Te Brussel in Zuid-Nederland

door ’n tweetal jongelingen,

die uit des Heeren milde hand

zeer schone gaven ontvingen,

heeft Hij Zijn wondermacht betoond.

 

8. Men stak twee grote vuren aan,

en die het gadesloegen

verbaasden zich, hoe ’t kon bestaan

dat zij die pijn verdroegen.

Zij gaven blij zich in de gloed

en konden lied’ren zingen.

’t Werd de sofisten vreemd te moed’

bij deze wond’re dingen,

waar God Zich in deed kennen.

 

Luther noemde het Te Deum ook een Geloofsbelijdenis, naast de Apostolische Geloofsbelijdenis, enz. Hij vertaalde in 1529 de tekst in het Duits (‘Herr Gott, Dich loben wir’) en vereenvoudigde de overgeleverde gregoriaanse melodie. Deze werd opgenomen in J. Klug’s Gesangbuch 1535, en is later ook door Bach geharmoniseerd (B.A. 39. No. 75).

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)