Karl Johann Philipp Spitta (1801-1859)

Geboren in Hannover, afstammeling van een Frans hugenotengeslacht, Luthers predikant en dichter.

Ich steh in meines Herren Hand

1. Ich steh in meines Herren Hand

und will drin stehen bleiben;

nicht Erdennot, nicht Erdentand

soll mich daraus vertreiben.

Und wenn zerfällt die ganze Welt,

wer sich an Ihn und wen er hält,

wird wohlbehalten bleiben.

 

2. Er ist ein Fels, ein sichrer Hort,

und Wunder sollen schauen,

die sich auf sein wahrhaftig Wort

verlassen und Ihm trauen.

Er hat’s gesagt, und darauf wagt

mein Herz es froh und unverzagt

und läßt sich gar nicht grauen.

 

3. Und was Er mit mir machen will,

ist alles mir gelegen;

ich halte Ihm im Glauben still

und hoff auf seinen Segen.

Denn was Er tut, ist immer gut,

und wer von Ihm behütet ruht,

ist sicher allerwegen.

 

4. Ja, wenn’s am schlimmsten mit mir steht,

freu ich mich seiner Pflege;

ich weiß: Die Wege, die Er geht,

sind lauter Wunderwege.

Was böse scheint, ist gut gemeint;

Er ist doch nimmermehr mein Feind

und gibt nur Liebesschläge.

5. Und meines Glaubens Unterpfand

ist, was Er selbst verheißen:

daß nichts mich seiner Hand

soll je und je entreißen.

Was Er verspricht, das bricht Er nicht.

Er bleibet meine Zuversicht;

ich will Ihn ewig preisen.

1. Ik ben in de hand van mijn Heere

En wil daar ook steeds blijven;

Geen aardse noden, geen aardse beuzelingen

Zullen mij daaruit verdrijven.

En wanneer de hele wereld ineenstort,

Zal hij die zich aan Hem vasthoudt en die Hij vasthoudt,

Wel-behouden blijven.

 

2. Hij is een Rots, een veilige Toevlucht,

En wonderen zullen zij zien,

Die zich op Zijn waarachtig Woord

Verlaten en Hem vertrouwen.

Hij heeft het gezegd en daarop waagt

Mijn hart het vrolijk en onversaagd,

En laat zich geheel geen schrik aanjagen.

 

3. En wat Hij met mij doen wil,

Is alles het beste voor mij;

Ik houd Hem in het geloof steeds vast

En hoop op Zijn zegen.

Want wat Hij doet, is altijd goed,

En wie, door Hem behoed, rust heeft,

Is overal veilig.

 

4. Ja, wanneer het op het ergst met mij gesteld is,

Verblijd ik mij over Zijn verzorging;

Ik weet: de wegen die Hij gaat,

Zijn louter wonderwegen.

Was boos lijkt, is goed bedoeld;

Hij is toch nimmermeer mijn Vijand

En geeft slechts liefdeslagen.

 

5. En het onderpand van mijn geloof

Is wat Hij Zelf heeft toegezegd:

Dat niets mij uit Zijn hand

Ooit en te nimmer rukken zal.

Wat Hij heeft belooft, dat breekt Hij niet.

Hij blijft mijn Toeverlaat;

Ik zal Hem eeuwig prijzen.

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)