Bernard van Cluny, of: van Morlaix (ca. 1140 - ? )

Bernard van Cluny leefde in de 12e eeuw. Er is maar weinig over hem bekend. Hij werd rond 1140 geboren in Morlaix, Bretagne, Frankrijk, waarschijnlijk uit Engelse ouders. Toen hij monnik werd in de abdij van Cluny, stond die onder leiding van haar achtste abt, Petrus ‘de Eerbiedwaardige’. Men denkt dat Bernard de rest van zijn leven in dit klooster doorbracht.

In zijn dagen was Bernard beroemd als prediker en schrijver. Sindsdien is hij in de herinnering blijven voortleven als auteur van het gedicht De Contemptu Mundi (‘Over de verachting der wereld’). Het bestaat uit ongeveer 3000 regels in een maat die bekend staat als Leonini Cristati Trilices Dactylici (dactylische hexameter). In dit gedicht valt hij niet alleen de wereld, maar ook de wereldsgezindheid van de kerk aan, en herinnert hij ons uitgebreid aan de vergankelijkheid van heel het aardse leven.

John Neale heeft het gedeelte Urbs Sion aurea op Engelse rijm gezet. Hij schrijft: ‘In tegenstelling tot de ellende en verontreiniging van de aarde, begint dit gedicht met een beschrijving van de vrede en heerlijkheid van de hemel, zó zeldzaam mooi dat het maar ternauwernood geëvenaard wordt door andere middeleeuwse dichters over hetzelfde onderwerp.’ Hierover volgt zijn berijming.

Jerusalem the golden, with milk and honey blest

1. Jerusalem the golden, with milk and honey blest,

Beneath thy contemplation sink heart and voice oppressed.

I know not, O I know not, what joys await us there,

What radiancy of glory, what bliss beyond compare.

 

2. They stand, those halls of Zion, all jubilant with song,

And bright with many an angel, and all the martyr throng;

The Prince is ever in them, the daylight is serene;

The pastures of the blessèd are decked in glorious sheen.

 

3. There is the throne of David, and there, from care released,

The shout of them that triumph, the song of them that feast;

And they, who with their Leader, have conquered in the fight,

Forever and forever are clad in robes of white.

 

4. O sweet and blessèd country, the home of God’s elect!

O sweet and blessèd country, that eager hearts expect!

Jesus, in mercy bring us to that dear land of rest,

Who art, with God the Father, and Spirit, ever blessed.

 

5. Brief life is here our portion, brief sorrow, short lived care;

The life that knows no ending, the tearless life, is there.

O happy retribution! Short toil, eternal rest;

For mortals and for sinners, a mansion with the blest.

 

6. That we should look, poor wanderers, to have our home on high!

That worms should seek for dwellings beyond the starry sky!

And now we fight the battle, but then shall wear the crown

Of full and everlasting, and passionless renown.

 

7. And now we watch and struggle, and now we live in hope;

And Zion in her anguish with Babylon must cope;

But he whom now we trust in shall then be seen and known,

And they that know and see Him shall have Him for their own.

8. For thee, O dear, dear country, mine eyes their vigils keep;

For very love, beholding, thy happy name, they weep:

The mention of thy glory is unction to the breast,

And medicine in sickness, and love, and life, and rest.

 

9. O one, O only mansion! O paradise of joy!

Where tears are ever banished, and smiles have no alloy;

The cross is all thy splendor, the Crucified thy praise;

His laud and benediction thy ransomed people raise.

 

10. Jerusalem the glorious! Glory of the elect!

O dear and future vision that eager hearts expect!

Even now by faith I see thee, even here thy walls discern;

To thee my thoughts are kindled, and strive, and pant, and yearn.

 

11. Jerusalem, the only, that look’st from heaven below,

In thee is all my glory, in me is all my woe!

And though my body may not, my spirit seeks thee fain,

Till flesh and earth return me to earth and flesh again.

 

12 Jerusalem, exulting on that securest shore,

I hope thee, wish thee, sing thee, and love thee evermore!

I ask not for my merit: I seek not to deny

My merit is destruction, a child of wrath am I.

 

13. But yet with faith I venture and hope upon the way;

For those perennial guerdons I labor night and day.

The best and dearest Father Who made me, and Who saved,

Bore with me in defilement, and from defilement laved.

 

14. When in His strength I struggle, for very joy I leap;

When in my sin I totter, I weep, or try to weep:

And grace, sweet grace celestial, shall all its love display,

And David’s royal fountain purge every stain away.

15. O sweet and blessèd country, shall I ever see thy face?

O sweet and blessèd country, shall I ever win thy grace?

I have the hope within me to comfort and to bless!

Shall I ever win the prize itself? O tell me, tell me, Yes!

 

16. Strive, man, to win that glory; toil, man, to gain that light;

Send hope before to grasp it, till hope be lost in sight.

Exult, O dust and ashes, the Lord shall be thy part:

His only, His forever thou shalt be, and thou art.

Jeruzalem, de gouden stad, met melk en honing gezegend,

Onder uw beschouwing zinken hart en stem overweldigd weg.

Ik weet niet, o ik weet niet, welk een vreugden ons daar wachten,

Welk een schitterende heerlijkheid, welk een onvergelijkelijke gelukzaligheid.

 

Daar staan ze, die Sionszalen, vol jubelgezang,

En stralend door menige engel en de hele martelarenschare;

De Vorst bevindt Zich altijd daar, het daglicht is sereen;

De weiden van de gezegenden zijn getooid in heerlijk groen.

 

Daar is de troon van David, en daar klinkt, van zorg ontslagen,

Het gejuich van hen die triomferen, het gezang van hen die feestvieren;

En zij die, met hun overste Leidsman, in de strijd overwonnen hebben,

Zijn voor eeuwig, ja, voor eeuwig bekleed met witte klederen.

 

O zoet en gezegend land, het thuis van Gods uitverkorenen!

O zoet en gezegend land, dat verlangende harten verwachten!

Jezus, breng ons in genade naar dat lieve land der ruste,

Gij Die, met God de Vader en de Geest, eeuwig gezegend zijt.

 

Een kort leven is hier ons deel, kort verdriet, kortstondige zorg;

Het leven dat geen einde kent, het leven zonder tranen, is daar.

O zalige vergelding! Korte arbeid, eeuwige rust;

Voor stervelingen en voor zondaren, een woning bij de gezegenden.

 

Dat wij, arme zwervers, mogen verwachten ons thuis in de hoge te hebben!

Dat wormen mogen zoeken naar woningen boven de sterrenlucht!

Ja, nu voeren we de strijd, maar dan zullen we de kroon dragen,

Vol van eeuwige roem zonder lijden.

 

Ja, nu waken en worstelen we, en nu leven we in hope;

En Sion in haar angsten moet Babylon trotseren;

Maar Hij op Wie we nu vertrouwen, zal dan gezien en gekend worden,

En zij die Hem kennen en zien, zullen Hem als de Hunne bezitten.

Voor u, o lief, lief land, blijven mijn ogen wakker;

Zien ze uw gelukkige naam, dan huilen ze uit louter liefde;

Als uw heerlijkheid genoemd wordt, is dat zalfolie voor de borstkas,

En medicijn in ziekte, en liefde, en leven, en rust.

 

O ene, o enige woning! O paradijs van vreugde!

Waar tranen voor eeuwig verbannen zijn, waar glimlachen ongetemperd

Het kruis is al uw pracht, de Gekruisigde is uw lof;                                   [blijven;

Zijn lofzangen heft uw vrijgekochte volk aan.

 

Jeruzalem, de heerlijke stad! Heerlijkheid van de uitverkorenen!

O lief en toekomstig gezicht, dat verlangende harten verwachten!

Ja, reeds nu zie ik u door het geloof; reeds hier onderscheid ik uw muren;

Naar u ontvlammen mijn gedachten, gaan ze uit, hijgen en smachten ze.

 

Jeruzalem, de enige stad, die van de hemel naar beneden ziet,

In u is al mijn heerlijkheid, in mij is al mijn ellende!

Mijn geest zoekt u gretig, al doet mijn lichaam dat misschien niet,

Totdat vlees en aarde mij tot aarde en vlees doen weerkeren.

 

Jeruzalem, jubelend op die uiterst veilige kust,

Ik hoop u, begeer u, bezing u en bemin u tot in eeuwigheid!

Ik vraag niet naar mijn verdienste, ik probeer niet te ontkennen

Dat mijn verdienste het verderf is; een kind des toorns ben ik.

 

Maar toch, door het geloof waag ik het en hoop ik onderweg;

Voor die altijddurende beloningen arbeid ik dag en nacht.

De beste en liefste Vader, Die mij gemaakt heeft en Die mij gered heeft,

Verdroeg mij in mijn onreinheid, en van mijn onreinheid waste Hij mij.

 

Wanneer ik worstel in Zijn kracht, spring ik op van louter vreugde;

Wanneer ik wankel in mijn zonde, huil ik, of probeer ik te huilen;

En genade, zoete hemelse genade, zal al haar liefde tentoonspreiden;

De koninklijke Fontein van David zal elke vlek wegzuiveren.

O zoet en gezegend land, zal ik ooit uw aangezicht aanschouwen?

O zoet en gezegend land, zal ik ooit uw genade verkrijgen?

Ik heb de hoop in mijn binnenste, die mij troost en zegent!

Zal ik ooit de prijs winnen? O zeg mij, zeg mij: Ja!

 

Streef, mens, om die glorie te verkrijgen; span u in, mens, om dat licht te            

      [verwerven;

Stuur de hoop vooruit om ze te grijpen, totdat de hoop in aanschouwen

         [verdwijnt.

Juich, o stof en as, de Heere zal uw Deel zijn:

Alleen de Zijne, altijd de Zijne zult u zijn, en bent u nu.

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)