Anton van Atten (1901-1976)

Anton van Atten (1901-1976) schreef in de TWeede Wereldoorlog onder de pseudoniemen Hein van Oranje en Jan Hollander.

Op grond van artikel 8 van de Dordtse Kerkorde werd hij wegens bijzondere gaven als predikant in de Gereformeerde Kerk bevestigd.

In de Tweede Wereldoorlog hielp hij onderduikers en stimuleerde hij het kerkelijke verzet.

Hij was een van de productiefste verzetsdichters en medewerker aan het illegale blad Bulletin.

Ook was hij auteur van jeugdboeken.

Blijf bij hen, Heer’, haast daalt de donk’re nacht

Een variatie op het bekende lied van H. F. Lyte (1793-1847),

‘Blijf mij mij, Heer’, want d’ avond is nabij’.

Aan hen die vallen

 

1. Blijf bij hen, Heer’, haast daalt de donk’re nacht;

Diep wordt het duister, wees hun trouwe wacht,

Als – machteloos – vrienden wijken ver van hen;

O Gij, Die helpen kunt, blijf hun nabij.

 

2. Snel ebt hun jonge leven naar den dood;

Vreugde gaat onder – kil in ’t avondrood;

Verderf en ondergang staan aan hun zij;

Gij, Onvergank’lijke, blijf hun nabij!

 

3. Heer’, draag hen door Uw tegenwoordigheid!

Uw arm verwinn’ den booze in den strijd;

Wie is een Gids, een Helper, Heer’, als Gij?

Gij blijft Dezelfde Heer’, blijf hun nabij.

 

4. Geen vijand duchten zij, door Uwe kracht.

Gij droogt hun tranen, stilt hun bitt’re klacht.

Waar is, o dood, uw prikkel, waar uw eer?

Meer dan verwinnaar zijn zij in den Heer’.

 

5. Houdt Gij Uw kruis hoog voor hun brekend oog,

Een lichtend teeken, wijzend naar omhoog.

Schaduwen vliên; Gods eeuwig licht daagt blij;

In sterven, stervensnood, blijf hun nabij.

 

2 Oktober 1943

 

Dicht bij Jezus, bij de Heiland

1. Dicht bij Jezus, bij de Heiland,

Bij de Heer’ is ’t altijd goed;

O, laat Hem maar voor u zorgen,

Hij weet wat gij hebben moet.

Of Hij vreugde zendt of rouwe,

Of Hij ’t zure geeft of ’t zoet,

Blijf maar dicht bij Jezus leven,

Dicht bij Jezus is het goed.

 

2. Dicht bij Jezus, wordt uw lijden

Wordt uw smart, uw druk verlicht;

’t Hoofd gebogen onder zorgen,

Wordt door Jezus opgericht.

Jezus, als de goede Herder,

Die Zijn schapen trouw’lijk hoedt,

Jezus zal u veilig leiden,

Jezus leidt u altijd goed!

 

3. Dicht bij Jezus is het rustig;

Stormt het op uw levenszee,

O, vlucht dan naar Jezus henen,

Want bij Jezus vindt ge vreê.

Als uw ziel is fel bewogen,

Als het in uw harte woedt,

Ga dan biddend naar uw Jezus,

Want bij Jezus is het goed!

 

4. Dicht bij Jezus! In Zijn armen

Troost Hij Zijn beangstigd kind;

’t Is bij Jezus dat het bange,

’t Moede hart weer ruste vindt.

Afgetobden, moegeplaagden

Krijgen weer bij Jezus moed;

Die bij Jezus leven, juichen:

’Dicht bij Jezus is het goed!’

 

O Jezus, als ik U aanschouw

Alleen zijn

 

1. O Jezus, als ik U aanschouw,

Dan leeft weer, dat ik van U hou

En dat ook Uw hart mij bemint,

Nog wel als Uw bijzond’re vrind.

 

2. Al vraagt mij dat meer lijdensmoed,

Och, alle lijden is mij goed.

Omdat ik daardoor U gelijk

En dit de weg is naar Uw rijk.

 

3. Ik ben gelukkig in mijn leed,

Omdat ik het geen leed meer weet.

Maar ‘t alleruitverkorenst lot,

Dat mij vereent met U, o God.

 

4. Och, laat mij hier maar stil alleen,

Het kil en koud zijn om mij heen.

En laat geen menschen bij mij toe –

’t Alleen zijn word ik hier niet moe.

 

5. Want Gij, o Jezus, zijt bij mij;

Ik was U nimmer zoo nabij.

Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet,

Uw bijzijn maakt mij alles goed.

 

Verlaat hen niet, o Heer’, wees aan hun zijde

Dit gedicht is oorspronkelijk geschreven als een gebed voor de gereformeerde predikant prof. dr. K. Schilder (1890-1952)

die vanaf augustus 1940 vijftien weken gevangen werd gezet door de Duitse bezetters en na zijn vrijlating onderdook.

Verlaat hen niet!

 

Verlaat hen niet o Heer’, wees aan hun zijde,

Wees met Uw gunst en liefde in hun cel.

Weest Gij hun steun en kracht, maak alles wel,

Nu zij voor Uwen Naam en eere lijden.

 

Zij waren steeds U de geharnast’ strijders,

Zij vreesden niets en niemand, hielden fier,

Als vaandrig Gods Uw strijdbanier

En toonden zich Uw dappere belijders.

 

Nu wordt hun stem gesmoord door grauwe kerkermuren,

Wij hooren niet hun woord, doch weten: Gij

Hoort ieder woord, hoort elke zucht, die zij

Tot hunnen Koning zend’ in stille bange uren.

 

Verlaat hen niet, o Heer’, verlaat hen niet o Koning,

Bestier hun gang, hun weg, hun mond, hun lot,

Vervul hun cel met Uw nabijheid, God,

Dat die hun Bethel zij, een Goddelijke woning.

 

Geef als het moet hun kracht om te betuigen,

En laat elk die ootmoedig bidden leerd’

En Uw bestuur en leiding obedieert, [= gehoorzaamt]

Te hulpe voor Uw knecht zich biddend voor U buigen.

 

Niet vrucht’loos zullen wij Uw hulp en bijstand vragen.

Wij weten – en Uw knechten weten ’t meê –

Hoe ook de wereld woedt, Gij geeft het hart Uw vreê,

En Gij schikt alles naar Uw Godd’lijk welbehagen.

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)