Adriaan de Vin

Adriaan de Vin was schoolmeester en voorzanger te Sint Laurens op het eiland Walcheren.

In 1737 verscheen de tweede druk van zijn dichtbundel Den gezalfden christen, met een tweede deel Den Zeeuwsen akker.

Onderstaande twee gedichten zijn een Voorrede en een Inleiding op zijn bundel.

Schoolmeesteren en voorzangeren

 

Door verplaatsing van bovenstaande letters is onderstaande zin gevormd,

die ook terugkomt in elke eerste letter van het gedicht (deze dichtvorm heet een acrostichon):

O mannen, leert er Godes vreeze schoon!

Om elk getrouw te wezen in het werk

Met welke hij belast is in dit leven,

Acht dat het u is van boven gegeven.

Neemt op des Heeren order uw oogmerk;

Neigt uwe wil naar ’s Heeren wil verheven,

Elk in die staat die hem is voorgeschreven,

Naarstig te zijn in dienst van school of kerk.

Leert in de school de jeugd, opdat zij sterk

En welgemoed de Heere leren vrezen,

Eenieder naardat zijn jaren zouden wezen.

Richt uwe les naar ’t groot of klein verstand;

Tot d’ ene past de tucht, d’ ander wil zijn geprezen;

Eenieder heeft verscheiden aard in dezen.

Regeert ze zo vooral, dat hun wordt ingeplant

Gods vreze, die bij hen blijft hun levensdagen.

O mannen, op die wijz’ zult gij de Heer’ behagen;

Doet maar uw best en bidt dat God Zijn zegen

En bijstand u verleen’. Spreekt tot hen: ‘Kind’ren, kom, [Ps. 34:12-15]

Set u eens bij mij neer, ik zal u wederom

Van Godes vreze leren en vermanen.

Richt uwe voet al vroeg op deugdens bane

En wacht daarop een lang en vreedzaam leven;

Eer en aanzien zal u dan zijn gegeven.

Zoekt God in uwe jeugd, dan zult gij zeker gaan;

Eert Hem terwijl gij leeft; dat is uw plicht.

Schuwt zonden en wat u daartoe zou raân [raden];

Ciert uw jeugd met deugd voor ieders gezicht;

Hoort naar mijn raad en naar mijn onderricht.

O, kent de Heer’ in all’ uwe wegen, [Spr. 3:6]

Om Hem te dienen; zo zal u Zijn zegen

Na deze tijd ook leiden in ’t zalige licht.

 

Ai i[j]verd dan na [dezelfde letters als Adriaan de Vin]

 

 

Inleiding

 

1. Beklagelijke dagen

Nu zoveel christenvolk

De christennaam, maakt tot een blaam;

O, wat een duist’re wolk,

Vol van ongure vlagen,

Hangt onwetend over ’t hoofd!

Dat het velen zagen;

O, dan werd ’t maar eerst [= pas] geloofd.

 

2. Elk wild’ een christen heten

En daarvoor zijn geacht;

Daar men toch iet[s], niet merkt of ziet

Daarvan de minste kracht.

Hoe zouden zij het weten,

Daar geen naarstigheid geschiedt?

En zeer ligt vergeten

Die hun daarvan kennis biedt.

 

3. De christelijke gronden

In ’t minst zij niet verstaan;

[Zo]Dat zij derhalv’, de christenzalf

Vooreerst moeten ontvaân, [ontvangen]

Die Christus heeft gezonden;

’k Meen: de gaven van de Geest,

Die maar wordt gevonden

Waar men Zijn Woord hoort en leest.

 

4. Wat zijn er vele lieden

Die al voor christ’nen [door]gaan,

Die noch van God, of Zijn gebod,

Het minste niet verstaan;

Getuigen zijn hun monden,

Die vol zijn van ijdelheid,

Maar gans stom bevonden

Zo men van Gods Woord iets zeid.

 

5. Dit is toch ’t eeuwig leven,

Dat men God Vader kent,

En Zijn Zoon, Die uit Zijn troon

Ons Zijn Geest toezendt.

Zouden veel’ [christenen] kunnen geven

Van deez’ waarheid rekenschap?

Nee, maar onbedreven,

Dus in Gods dienst flauw en slap.

 

6. Ei, vraag eens een van dezen

Of hij de Geest ontving

Als hij het Woord, ook heeft gehoord

In de vergadering?

Het antwoord zal licht wezen:

‘Ik weet van geen Heil’ge Geest’; [Hand. 19:2]

Ja, alsof vóór dezen

Nimmermeer Een was geweest.

 

7. O mens! wilt gij beminnen

Uw eigen zaligheid,

Ziet uw gevaar, en vliedt vandaar;

Uzelven niet en vleidt.

Wilt heden nu beginnen;

Zoekt de Heer’ en Hem toch vreest;

Bidt met hart en zinnen

Om de gaven van Zijn Geest.

 

8. Wilt gij een christen wezen

In daad en niet in waan;

Beschouwt uw staat, en vliedt het kwaad;

Doet wat moet zijn gedaan.

Wilt gij een christen wezen;

Zoekt gij daartoe onderricht?

Wilt deez’ bladen lezen;

Hier leert gij eens christens plicht.

 

9. Hier kondt gij door het zingen

Ook leringen ontvaân:

Hoe gij terstond, op goede grond

Uw naam moogt waardig staan.

Ja, vóór alle dingen,

Hoe gij Gode best behaagt.

Wilt Hem lof toebringen,

Zo g’ hier voordeel van wegdraagt.

 

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)