Johann Rist (1607-1667)

Onderstaand lied uit 1642 bestaat uit zestien coupletten. Het is gemaakt door Johann Rist (1607-1667), Duits toneelschrijver, dichter en predikant van Wedel aan de Elbe. Van zijn vijf kinderen stierven er twee jong. Hij is het meest bekend geworden om zijn liederen.

 

Cantate BWV 60 (1723) van Johann Sebastian Bach (1685-1750) begint met het eerste couplet van dit lied. In cantate BWV 20 (1724) heeft Bach twaalf coupletten (gedeeltelijk) gebruikt.

 

De Duitse predikant en dichter Caspar Heunisch (1620-1690) schreef rond 1688 een versie van ook zestien coupletten waarin alles precies omgekeerd is: ‘O Ewigkeit, du Freudenwort’ (O eeuwigheid, gij vreugdewoord).

O Ewigkeit, du Donnerwort

1. O Ewigkeit, du Donnerwort,

O Schwerdt das durch die Seele bohrt,

O Anfang sonder Ende!

O Ewigkeit, Zeit ohne Zeit,

Ich weiss für grosser Traurigkeit

Nicht wo ich mich hinwende.

Mein ganz erschrock’nes Hertz erbebt,

Dass mir die Zung am Gaumen klebt.

 

2. Kein Unglück ist in aller Welt,

Dass endlich mit der Zeit nicht fält

Und ganz wird aufgehoben;

Die Ewigkeit hat nur kein Ziel,

Sie treibet fort und fort ihr Spiel,

Lässt nimmer ab zu toben.

Ja, wie der Heiland selber spricht,

Aus ihr ist kein Erlösung nicht.

 

3. O Ewigkeit, du machst mir bang!

O Ewig, Ewig ist zu lang,

Hie gilt fürwahr kein Scherzen!

Drum, wenn ich diese lange Nacht

Zusamt der grossen Pein betracht’,

Erschreck ich recht von Herzen.

Nichts ist zu finden weit und breit

So schrecklich als die Ewigkeit.

 

9. Ach Gott wie bist du so gerecht,

Wie straffest du die bösen Knecht

Im heissen Pfuhl der Schmerzen!

Auf kurze Sünden dieser Welt

Hast du so lange Pein bestellt.

Ach nimm es wohl zu Herzen,

Und merk auf dies, O Menschen-Kind:

Kurtz ist die Zeit, der Todt geschwind.

 

13. Wach auf, O Mensch, vom Sünden-schlaf,

Ermuntre dich, verlornes Schaf

Und bessre bald dein Leben!

Wach auf, es ist doch hohe Zeit;

Es kommt heran die Ewigkeit,

Dir deinen Lohn zu geben.

Vielleicht ist heut der letzter Tag;

Wer weiss noch wie man sterben mag!

 

16. O Ewigkeit, du Donnerwort,

O Schwert, das durch die Seele bohrt,

O Anfang sonder Ende!

O Ewigkeit, Zeit ohne Zeit,

Ich weiss für grosser Traurigkeit

Nicht wo ich mich hinwende.

Nimm du mich, wenn es dir gefällt,

Herr Jesu, in dein Freudenzelt.

1. O eeuwigheid, gij donderwoord,

O zwaard, dat door de ziele boort,

O aanvang zonder einde!

O eeuwigheid, tijd zonder tijd,

Ik weet van grote treurigheid

Niet waar ik mij heen zal wenden.

Mijn totaal verschrikte hart beeft,

Zodat mijn tong aan mijn gehemelte kleeft.

 

2. Geen ongeluk is er in heel de wereld,

Dat uiteindelijk met de tijd niet vergaat

En geheel wordt opgeheven;

Maar de eeuwigheid heeft geen doel,

Ze zet haar spel alsmaar voort,

Houdt nimmer op te woeden.

Ja, zoals de Heiland Zelf spreekt,

Bestaat daaruit geen verlossing.

 

3. O eeuwigheid, gij maakt mij bang!

O eeuwig, eeuwig is te lang,

Hier past voorwaar geen scherts!

Daarom, wanneer ik deze lange nacht

Samen met de grote pijn overdenk,

Voel ik angst tot in het diepst van mijn hart;

Niets is te vinden wijd en zijd

Zo verschrikkelijk als de eeuwigheid.

 

9. Ach God, hoe bent U zo rechtvaardig,
Hoe straft U die boze knecht

In de hete poel van smarten!

Op korte zonden van deze wereld

Hebt U zo’n lange pijn gezet.

Ach, neem het wel ter harte,

En let hierop, o mensenkind:

Kort is de tijd, de dood is vlug.

 

13. Waak op, o mens, uit de zondenslaap,

Wek uzelf op, verloren schaap,

En beter spoedig uw leven!

Waak op, het is immers hoog tijd;

Ze komt eraan, de eeuwigheid,

Om u uw loon te geven;

Wellicht is het vandaag de laatste dag;

Wie weet toch hoe men sterven zal!

 

16. O eeuwigheid, gij donderwoord,

O zwaard, dat door de ziele boort,

O aanvang zonder einde;

O eeuwigheid, tijd zonder tijd,

Ik weet van grote treurigheid

Niet waar ik mij heen zal wenden.

Neem Gij mij, wanneer het U behaagt,

Heere Jezus, op in Uw hemel van vreugde.

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)