Anne Steele (1717-1778)

Anne Steele (1717-1778) had van jongs af tot aan haar overlijden allerlei gezondheidsproblemen.

Dat ze rond haar achttiende blijvend invalide zou zijn geraakt door een val van een paard blijkt vanuit originele bronnen niet te kloppen.

De geschiedenis van haar verloving met James Elcomb en zijn tragische verdrinkingsdood vlak voor of op de dag van hun huwelijk

(waarna ze ‘When I survey life’s varied scene’ zou hebben gedicht)

wordt in veel biografische schetsen verteld, maar is grotendeels verzonnen.

James had wel contact met haar gezocht, maar het is niet bekend of ze zijn gevoelens had beantwoord. Zie hier.

In het vervolg wees ze huwelijksaanzoeken af en koos ervoor om niet te trouwen,

zodat ze de Heere op andere manieren zou kunnen dienen.

Vanaf ca. tien jaar voor haar overlijden moest ze het bed houden en werd ze verzorgd door een nicht.

In haar liederen wijst ze steeds het plezier, het lokaas, het aantrekkelijke speelgoed,

de betoveringen, de onbenulligheden en de bedrieglijke ijdelheden van deze wereld af

ten gunste van de betere wereld en de toekomende eeuwige vreugde.

Uit haar gedichten blijkt ook haar grote liefde voor de natuur.

Ze ontsliep in Jezus met de woorden ‘Ik weet dat mijn Verlosser leeft’ op haar lippen.

In 1760 verschenen twee delen met haar liederen, psalmberijmingen en gedichten, 

Poems on Subjects Chiefly Devotional, onder het pseudoniem Theodosia.

Veel van haar hymns werden in liedboeken opgenomen, met name in Amerika.

Haar echte naam werd voor het grote publiek pas bekend toen Caleb Evans postuum de twee delen

met een derde deel Miscellaneous Pieces in Verse and Prose van haar uitgaf (1780).

Dear refuge of my weary soul

God the Only Refuge of the Troubled Mind

 

1. Dear refuge of my weary soul,

On Thee, when sorrows rise,

On Thee, when waves of trouble roll,

My fainting hope relies.

 

2. While hope revives, though pressed with fears,

And I can say, my God,

Beneath Thy feet I spread my cares

And pour my woes abroad.

 

3. To Thee I tell each rising grief,

For Thou alone canst heal.

Thy Word can bring a sweet relief

For every pain I feel.

 

4. But Oh! When gloomy doubts prevail,

I fear to call Thee mine.

The springs of comfort seem to fail,

And all my hopes decline.

 

5. Yet, gracious God, where shall I flee?

Thou art my only trust.

And still my soul would cleave to Thee,

Though prostrate in the dust.

 

6. Hast Thou not bid me seek Thy face,

And shall I seek in vain?

And can the ear of sovereign grace

Be deaf when I complain?

 

7. No, still the ear of sovereign grace

Attends the mourner’s prayer;

O may I ever find access,

To breathe my sorrows there.

 

8. Thy mercy-seat is open still;

Here let my soul retreat,

With humble hope attend Thy will,

And wait beneath Thy feet.

God de enige Toevlucht voor het onrustige gemoed

 

1. Lieve Toevlucht voor mijn vermoeide ziel,

Op U, wanneer smarten oprijzen,

Op U, wanneer golven van moeite bruisen,

Rust mijn verflauwende hoop.

 

2. Terwijl de hoop herleeft, hoewel gedrukt door vrees,

En ik kan zeggen: ‘Mijn God’,

Spreid ik mijn zorgen voor Uw voeten neer

En stort mijn rampspoeden daar uit.

 

3. Aan U vertel ik elk opkomend leed,

Want Gij alleen kunt helen.

Uw Woord kan een zoete verlichting brengen

Voor iedere pijn die ik voel.

 

4. Maar o, wanneer sombere twijfels overheersen,

Ben ik bevreesd om U de mijne te noemen.

De springaders van troost lijken droog te vallen

En al mijn hoop kwijnt weg.

 

5. En toch, genadige God, waar zou ik heen vluchten?

Gij zijt mijn enige vertrouwen.

Nog steeds wil mijn ziel U aankleven,

Al ligt ze neergebogen in het stof.

 

6. Hebt Gij mij niet bevolen Uw aangezicht te zoeken,

En zal ik dan tevergeefs zoeken?

En kan het oor van soevereine genade

Doof zijn voor mijn klachten?

 

7. Nee, nog steeds geeft het oor van soevereine genade

Acht op het gebed van de treurige;

O, mag ik altijd toegang vinden

Om daar mijn verdriet te uiten!

 

8. Uw genadetroon is nog steeds open;

Laat mijn ziel hier schuilen,

Met nederige hoop Uw wil opvolgen

En aan Uw voeten wachten.

 

My God, my Father, blissful Name

Humble Reliance

 

1. My God, my Father, blissful Name!

O may I call Thee mine,

May I with sweet assurance claim

A portion so divine?

 

2. This only can my fears control,

And bid my sorrows fly:

What harm can ever reach my soul,

Beneath my Father's eye?

 

3. Whate'er Thy providence denies,

I calmly would resign;

For Thou art just, and good, and wise,

O bend my will to Thine.

 

4. Whate'er Thy sacred will ordains,

O give me strength to bear;

And let me know my Father reigns,

And trust His tender care.

 

5. If pain and sickness rend this frame,

And life almost depart,

Is not Thy mercy still the same,

To cheer my drooping heart?

 

6. If cares and sorrows me surround,

Their power why should I fear?

My inward peace they cannot wound

If Thou, my God, art near.

 

7. Thy sovereign ways are all unknown

To my weak, erring sight;

Yet let my soul, adoring, own

That all Thy ways are right.

 

8. My God, my Father, be Thy Name

My solace and my stay;

O wilt Thou seal my humble claim,

And drive my fears away.

Ootmoedig vertrouwen

 

1. Mijn God, mijn Vader, zalige Naam!

O, mag ik U de mijne noemen,

Mag ik met zoete zekerheid aanspraak maken

Op zulk een Goddelijk Deel?

 

2. Dit alleen kan mijn vrees in toom houden

En mijn smart doen wegvluchten;

Welk kwaad kan ooit mijn ziel bereiken

Onder het oog van mijn Vader?

 

3. Al wat Uw voorzienigheid mij ontzegt,

Wil ik kalm overgeven,

Want Gij zijt rechtvaardig, goed en wijs;

O, buig mijn wil naar de Uwe!

 

4. Al wat Uw heilige wil mij beschikt,

O, geef mij kracht het te dragen;

En laat mij weten dat mijn Vader regeert

En Zijn tedere zorg vertrouwen.

 

5. Als pijn en ziekte dit lichaam verscheuren,

En het leven bijna wijkt,

Is niet Uw barmhartigheid nog steeds dezelfde

Om mijn wegkwijnende hart op te beuren?

 

6. Als zorgen en smarten mij omringen,

Waarom zou ik hun kracht vrezen?

Mijn innerlijke vrede kunnen ze niet verwonden,

Als Gij, mijn God, nabij zijt.

 

7. Uw soevereine wegen zijn alle onbekend

Voor mijn zwakke, dwalende blik;

Laat echter mijn ziel in aanbidding

Erkennen dat al Uw wegen recht zijn.

 

8. Mijn God, mijn Vader, laat Uw Naam

Mijn troost en mijn steun zijn;

O, wilt U mijn nederige claim verzegelen

En mijn vrees verdrijven.

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)