Philippus van Sorgen (?-1677)

Onderstaand gedicht staat in: 

Dichtkundige ziele-zangen, op-gesongen door verscheide zangh-lievers

(Philippus van Sorgen; 1e druk 1677; later vermeerderd met aanhangsels)

Een [nieuw] bundeltje uitgekipte [uitgekozen/geselecteerde] geestelijke gezangen

(vermoedelijk uitgegeven door Johannes Sluiter; 1e druk onbekend jaartal; 2e druk 1718; later vermeerderd met aanhangsels)

O twijfelende maagd

Aan een ziel die niet durft te naderen tot het Heilig Avondmaal

 

Wijs: Lofzang van Maria

 

1. Jezus. O twijfelende maagd,

Hoe komt ’t dat gij vertraagt

Om tot Mij in te komen?

Indien gij zijt belust

Naar vrede, troost en rust,

Welkom dan, zonder schromen.

 

2. Ziel. O Heer’, ik kan niet staan,

Veel minder tot U gaan,

Want ik en heb geen voeten;

Mijn ziel is dom en grof,

Zij doet niets dan in ’t stof

Gelijk een mol te wroeten.

 

3. Jezus. O ziel, kom evenwel

Met al dat vuil gestel,

Ik zal u wel versieren.

Ik zal u leren gaan

Op deze levensbaan;

Mijn Geest, Die zal u stieren [besturen].

 

4. Ziel. Hoe zou ik durven, Heer’,

Die alles nog ontbeer?

Naakt ben ik en ellendig,

Van alle goed ontbloot;

De schaamte maakt mij rood;

Uw woorden zijn bestendig.

 

5. Jezus. Kom binnen als vriendin,

Woon in Mijn Huisgezin,

O, wil daar veel verkeren;

Kom, zet u aan de dis,

Waar overvloedig is

Al wat gij mocht ontberen.

 

6. Ziel. Ik vrees mijn stout bestaan

Zou mij niet wel vergaan;

Met reden mag ik schromen,

En, Heer’, gelijk Gij weet,

Ik heb geen bruiloftskleed

Om aan Uw dis te komen.

 

 

 

 

7. Jezus. O ziele, kom maar naakt,

Hier ben Ik mee vermaakt; [hier heb Ik vermaak in]

Ik zal u kleren geven;

Gij moet eerst zijn ontbloot

En aan u zelven dood,

Zo gij met Mij zult leven.

 

8. Ziel. Welaan dan, Heer’, ik kom,

Ik word Uw eigendom;

Gij spreekt mij naar mijn harte,

Gij zijt mijn Medicijn,

Mijn Kleed, mijn Brood, mijn Wijn,

Gij stilt en heelt mijn smarte.

 

9. Jezus. Maar, ziel, weet dit vooraf:

Zo Ik uw lust niet gaf,

Wil daarom niet verschrikken;

Maar wees hierin verblijd

Dat Ik u op Mijn tijd

Genoegzaam zal verkwikken.

 

10. Ziel. Ik kom dan op Uw Woord

Tot aan de binnenpoort

Van Uw paleis, o Heere!

In plaatse van een roe,

Reik mij Uw scepter toe,

Zo zal mij niemand deren.

 

11. Jezus. Hoe zijt gij nog zo schuw,

Ik ben geneigd tot u,

Schoon gij dat niet kunt voelen;

Sta maar een weinig stil

En laat uw eigen wil

Niet meer zo driftig woelen.

 

12. Ziel. Mijn lust, mijn wil, mijn drift

Schenk ik U tot een gift;

Ei, kom die gans verpletten;

Ach, waar’ ik niet meer ik,

Maar, Heer’, Uw wijs beschik [bestel]

Schrijf ik voortaan geen wetten [voor].

 

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)