Gedicht over 'pesten'

1. Zeg, heb j’ er weleens even over nagedacht
Dat woorden, lachjes, blikken kunnen wonden – doden?
Geen wet heeft ’t dragen van dat wapentuig verboden,
En ’t heeft toch al zo héél veel wonden toegebracht,
Want ’t wrede woord is van je lippen vóór je ’t weet –
Toe, jongens wees, niet wreed!


2. Je makkers noemen je zo gauw een reuze kei.
Geen kunst, ze te vermaken met je grove grappen,
Als ’t je niet deert de stumper op het hart te trappen;
Zie, ieder juicht je toe, en lacht – behalve hij!
Kijk naar zijn droeve blik en zie wat je misdeed –
Toe, jongens, wees niet wreed!


3. Jij, vluggerd die zo makkelijk je lessen leert,
Bedwing je, smoor die harde hoonlach, jonge spotter,
Als daar een zwakke broeder, in beangst gestotter
Blijft steken in zijn les, zo moeizaam bestudeerd,
Waarop hij heeft gezwoegd, met tranen en met zweet –
Toe, jongens, wees niet wreed!


4. Jouw pak – papa betaalde ’t! – is volmaakt van snit.
Maar moet je nu je buurman, d’ arme drommel, plagen,
Omdat ie d’ oude plunje van zijn broer moet dragen?
Doe net of je niet ziet dat ’t ding hem lelijk zit;
Hij ging heus graag precies zo mooi als jij gekleed.
Toe, jongens, wees niet wreed!

 

5. Bespot hem niet, ‘die neus’, ‘die kromme’ of ‘die bult’.
Dank God dat jij zo welgemaakt bent, slanke knapen;
Wees er niet trots op! Je heb jezelf niet zo geschapen!
Dat hij niet mooier is, is niet zijn eigen schuld.
Kom, maak dat hij het eens een ogenblik vergeet!
Toe, jongens, wees niet wreed!


6. Die sukkel!’ – O, ik weet, je meent het niet zo kwaad,
Maar stel je nu eens voor dat jij zo was geboren,
Zou jij daar dan graag elke, élke dag van horen?
Denk hier eens aan en – wedden dat je ’t voortaan laat?
Er zijn toch leuke jongensnamen bij de vleet! [= in overvloed]
Toe, jongens, wees niet wreed!


7. ‘Die rooie’ gaf wel graag een stukje van zijn pink
Om zijn pruik voor jouw blonde krullebol te ruilen,
En eenzaam ligt hij ’s nachts misschien in bed te huilen;
Hij hield zich overdag zo kranig en zo fl ink,
Maar als hij ’s heel alleen is met zijn stille leed...
Toe, jongens, wees niet wreed!

 

8. Je bent nog jong. De zonne schijnt, de lente lacht,
Je speelt een vrolijk spel in tien of twaalf bedrijven; [= delen van een rollenspel]
Kom, laat dat stuk voor allemaal een blijspel blijven!
Wie weet wat jou of d’ and’ren in de wereld wacht?
Daar ’s meen’ge droeve rol in ’t spel dat ’t Leven heet...
Toe, jongens, wees niet wreed!

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)