Edward Henry Bickersteth (1825-1906)

Edward Henry Bickersteth (1825-1906) werd in 1848 als Anglicaans predikant bevestigd. Hij was curaat van Banningham in Norfolk en van Christ Church in Tunbridge Wells. In 1852 werd hij rector van Hinton Martell en in 1855 vicar van Christ Church in Hampstead (Londen), waar hij 30 jaar bleef. In 1885 werd hij deken van Gloucester en in hetzelfde jaar werd hij benoemd als bisschop van Exeter. 

Bij zijn eerste vrouw had hij zes zonen en tien dochters. Zijn tweede vrouw overleefde hem. Hij maakte een aantal wereldreizen ten behoeve van zendingsorganisaties (India, Midden-Oosten, Japan) en was een talentvol dichter.

 

Not worthy, Lord, to gather up the crumbs

1. Not worthy, Lord, to gather up the crumbs

With trembling hand that from Thy table fall;

A weary, heavy laden sinner comes

To plead Thy promise and obey Thy call.

 

2. I am not worthy to be thought Thy child,

Nor sit the last and lowest at Thy board;

Too long a wanderer and too oft beguiled;

I only ask one reconciling word.

 

3. One word from Thee, my Lord, one smile, one look,

And I could face the cold, rough world again;

And with that treasure in my heart could brook

The wrath of devils and the scorn of men.

 

4. And is not mercy Thy prerogative –

Free mercy, boundless, fathomless, divine?

Me, Lord, the chief of sinners, me forgive,

And Thine the greater glory, only Thine.

 

5. I hear Thy voice; Thou bidd’st me come and rest;

I come, I kneel, I clasp Thy piercèd feet;

Thou bidd’st me take my place, a welcome guest

Among Thy saints, and of Thy banquet eat.

 

6. My praise can only breathe itself in prayer,

My prayer can only lose itself in Thee;

Dwell Thou forever in my heart, and there,

Lord, let me sup with Thee; sup Thou with me.

1. Niet waardig, Heere, om de kruimels op te rapen,

Met een bevende hand, die van Uw tafel vallen;

Een vermoeide, zwaar belaste zondaar komt

Om Uw belofte te bepleiten en Uw roepstem te gehoorzamen.

 

2. Ik ben niet waardig om Uw kind geacht te worden,

Noch om als de laatste en de laagste aan Uw tafel te zitten;

Te lang een zwerver en te vaak misleid;

Ik vraag slechts één verzoenend woord.

 

3. Eén woord van U, mijn Heere, één glimlach, één blik,

En dan kan ik de koude, ruwe wereld weer onder ogen zien;

En met die schat in mijn hart kan ik

De toorn van duivelen en de spot van mensen verdragen.

 

4. En is genade niet Uw alleenrecht –

Vrije genade, grenzeloze, peilloze, Goddelijke genade?

Mij, Heere, de voornaamste der zondaren, vergeef mij,

En Uw zal des te grotere heerlijkheid zijn, Uw alleen.

 

5. Ik hoor Uw stem; Gij nodigt mij te komen en te rusten;

Ik kom, ik kniel, ik grijp Uw doorboorde voeten;

Gij nodigt mij om mijn plaats in te nemen, als een welkome gast

Onder Uw heiligen, en van Uw feestmaal te eten.

 

6. Mijn lof kan zich slechts uitademen in gebed,

Mijn gebed kan zich slechts in U verliezen;

Woon Gij voor altijd in mijn hart, en daar,

Heere, laat mij Avondmaal houden met U; houdt Gij Avondmaal met mij.

 

Peace, perfect peace, in this dark world of sin?

In augustus 1875 was Bickersteth met zijn gezin op vakantie in Harrogate. Op een zondag hoorde hij de predikant daar preken over de tekst: ‘Gij zult hem in volkomen vrede bewaren, wiens gemoed op U gevestigd is’ (Jes. 26:3, Eng. vert.). In de preek werd opgemerkt hoe mooi de uitdrukking ‘volkomen vrede’ het in het Hebreeuws herhaalde woord ‘vrede, vrede’ weergeeft.

Die zondagmiddag ging Bickersteth een familielid bezoeken dat op sterven lag. Toen hij hem wat onrustig aantrof, nam hij een vel papier en schreef ter plekke zijn lied ‘Peace, perfect peace’, waarna hij het aan de stervende voorlas.

Een zoon van Bickersteth vertelt: ‘De meest ontroerende gelegenheid waarbij ik ooit dit lied hoorde zingen, was voor mij persoonlijk rond het graf van mijn oudste broer Edward (bisschop van de Anglicaanse kerk in Japan) te Chiselden in 1897, toen mijn vader als “chief mourner” het dichtst bij de kist stond.’

 

1. Peace, perfect peace, in this dark world of sin?

The blood of Jesus whispers peace within.

 

2. Peace, perfect peace, by thronging duties pressed?

To do the will of Jesus – this is rest.

 

3. Peace, perfect peace, with sorrows surging round?

On Jesus’ bosom naught but calm is found.

 

4. Peace, perfect peace, with loved ones far away?

In Jesus’ keeping we are safe, and they.

 

5. Peace, perfect peace, our future all unknown?

Jesus we know, and He is on the throne.

 

6. Peace, perfect peace, ’mid suffering’s sharpest throes?

The sympathy of Jesus breathes repose.

 

7. Peace, perfect peace, death shadowing us and ours?

Jesus has vanquished death and all its powers.

 

8. It is enough: earth’s struggles soon shall cease,

And Jesus call us to Heav'n’s perfect peace.

 

1. Vrede, volkomen vrede, in deze duistere wereld van zonde?

Het bloed van Jezus fluistert vrede vanbinnen.

 

2. Vrede, volkomen vrede, onder de druk van een menigte verplichtingen?

De wil van Jezus te doen – dat geeft rust.

 

3. Vrede, volkomen vrede, terwijl smarten hun golven om ons heen verheffen?

Aan Jezus’ boezem is niets dan kalmte te vinden.

 

4. Vrede, volkomen vrede, terwijl geliefden ver weg zijn?

In Jezus’ bewaring zijn wij veilig, en zij ook.

 

5. Vrede, volkomen vrede, wanneer onze toekomst totaal onbekend is?

Jezus kennen wij, en Hij zit op de troon.

 

6. Vrede, volkomen vrede, te midden van lijden en de hevigste pijnen?

Het meeleven van Jezus ademt ontspanning.

 

7. Vrede, volkomen vrede, wanneer de dood ons en de onzen overschaduwt?

Jezus heeft de dood en al zijn machten overwonnen.

 

8. Het is genoeg: de aardse worstelingen zullen spoedig ophouden,

En Jezus zal ons roepen tot de hemelse volkomen vrede.

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)