Theodore Monod (1836-1921)

Theodore Monod werd in Frankrijk geboren

als zoon van Fréderic Monod (1794-1863),

die predikant was van de gereformeerde Chapelle du Nord in Parijs en zich bij het Réveil aansloot.

Theodore ontving zijn opleiding als dienaar van het Woord aan het Theological Seminary in Allegheny, Pennsylvania (Verenigde Staten).

In januari 1861 kreeg hij preekconsent van de classis van Allegheny,

en werd in datzelfde jaar predikant van de Franstalige Second Presbyterian Church in Kankakee, Illinois. 

In 1864 keerde hij terug naar Frankrijk, waar hij diende als herder van de Chapelle du Nord in Parijs.

Hij was redacteur van Le Libérateur en verrichtte werkzaamheden voor de Binnenlandse Zending in Frankrijk.

Vaak werd hij gevraagd als spreker op Keswickbijeenkomsten.

Onderstaand lied dichtte Monod in het Engels tijdens een reeks ‘toewijdingsbijeenkomsten’

(als voorloper op de Keswick Convention) in Broadlands, Hampshire, Engeland, in juli 1874.

Terugblikkend schreef hij in een brief:

‘Het verschil tussen die bijeenkomsten te Broadland en vele andere die ik heb bijgewoond, is eenvoudig het verschil tussen een bloem en de naam van een bloem. Christenen komen maar al te vaak bijeen om te spreken over goede en kostbare zaken: vrede, vreugde, liefde, enzovoort, maar daar ondervonden we daadwerkelijk de zaken zelf. Ik kan God niet genoeg dankbaar zijn dat Hij mij geleid heeft in zulk een zielsverzadigend en Godverheerlijkend geloof. Ik denk dat ik mag zeggen dat ik alles kreeg wat ik verwachtte, en nog meer. En ik begin te vermoeden dat wij altijd alles van God krijgen – mits het goed voor ons is – waarom wij bidden in de verwachting het te krijgen. O, dat ik een zelf-vergetend geloof had! Dat ik daarvan meer en meer en meer zal hebben, en dat de kerk van Christus zal ophouden Hem te bedroeven, zichzelf te benauwen en de komst van Zijn Koninkrijk te hinderen door Zijn Woord ongehoorzaam te zijn! Mijn Franse metgezellen hebben allen veel profijt ontvangen van de conferentie. God zij geprezen voor Zijn werk! Maak u nooit druk om de wereld of de duivel, zolang u de zonneschijn van Jezus’ toelaching in uw hart hebt.’ 

Oh, the bitter shame and sorrow

1. Oh, the bitter shame and sorrow,

That a time could ever be,

When I let the Saviour’s pity

Plead in vain, and proudly answered,

‘ALL of self, and NONE of Thee!’

 

2. Yet He found me; I beheld Him

Bleeding on the accursed tree,

Heard Him pray, ‘Forgive them, Father!’

And my wistful heart said faintly,

‘SOME of self, and SOME of Thee!’

 

3. Day by day His tender mercy,

Healing, helping, full and free,

Sweet and strong, an,d ah! so patient,

Brought me lower, while I whispered,

‘LESS of self, and MORE of Thee!’

 

4. Higher than the highest heavens,

Deeper than the deepest sea,

Lord, Thy love at last hath conquered;

Grant me now my supplication,

‘NONE of self, and ALL of Thee!’

1. O, de bittere schaamte en smart,

Dat er ooit een tijd kon zijn,

Toen ik het medelijden van de Zaligmaker

Tevergeefs liet pleiten en trots antwoordde:

‘ALLES van mijzelf, en NIETS van U!’

 

2. Toch vond Hij mij; ik aanschouwde Hem,

Bloedend aan het vervloekte kruishout;

Hoorde Hem bidden: ‘Vergeef het hun, Vader!’

En mijn bewogen hart zei zwakjes:

‘IETS van mijzelf, en IETS van U!’

 

Dag bij dag was daar Zijn tedere barmhartigheid,

Genezend, helpend, vol en vrij,

Zoet en sterk, en och, zo geduldig!

Ze bracht mij verder omlaag, terwijl ik fluisterde:

‘MINDER van mijzelf, en MEER van U!’

 

4. Hoger dan de hoogste hemelen,

Dieper dan de diepste zee,

Heere, Uw liefde heeft ten slotte overwonnen;

Geef mij nu mijn smeekbede:

‘NIETS van mijzelf, en ALLES van U!’

 

O, de bitt’re smart en schande

Berijmde vertaling van M.S. Bromet:

1. O, de bitt’re smart en schande

Van den tijd waarvan ik gruw,

Toen ’k voor U het oor kon stoppen

En ik antwoordd’ op Uw kloppen:

‘’t AL van mij en NIETS van U.’

 

2. Toch, Gij vondt me. – ’k Zag U hangen

Tussen moord’naars, wreed en ruw,

Biddend: ‘Vader, schenk vergeving!’

En ik zei, vol teed’re beving:

‘IETS van mij en IETS van U.’

 

3. Heerlijk redde m’ Uw genade

Van de zonde, die ik schuw;

Daag’lijks boogt G’ U tot mij neder,

En mijn hart sprak week en teder:

‘MINDER ik en MEER van U.’

 

4. O, hoe hoog is Uwe liefde!

O, hoe diep wordt zij mij nu!

Gij hebt overwonnen, Heere,

Schenk mij nu wat ik begere:

‘NIETS van mij en ’t AL van U.’

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)