Pieter Boddaert (1694-1760)

 

Pieter Boddaert (1694-1760) was een aanzienlijk burger van Middelburg in dezelfde tijd dat Bernardus Smijtegelt daar predikant was.

Hij studeerde op ca. 20-jarige leeftijd als doctor in de rechten af aan de universiteit van Leiden en keerde vervolgens terug naar Middelburg.

Rond 1720 heeft God hem door Zijn Woord en Geest geestelijk levend gemaakt.

In Middelburg is hij advocaat, commissaris van het Landrecht, griffier van het Leenhof van Vlaanderen en griffier van de Admiraliteit in Zeeland geweest.

 

Op zijn grafsteen in Middelburg stond het volgende grafschrift, dat hij zelf ruim 20 jaar eerder gedicht had:

 

Hier ligt Boddaert, die, van een erelijk geslacht,

Nooit roemd’ op adel, nooit naar hoogheid heeft getracht.

Maar in een lager stand, met Gods bevel tevreden,

Het hemels goed meer zocht dan schatten hierbeneden.

De godsdienst hield hij voor zijn hoofdwerk, voor zijn lust

De dichtkunst, totdat God hem opriep in zijn rust.

 

Onderstaande gedichten staan in zijn Stichtelijke gedichten (4 delen). Ook is er nog een bundel Nagelaten Mengeldichten van hem.

Gezellig mens, hoe dus alleen

Opwekking tot stichtelijke bijeenkomsten

 

Dichtmaat: 8.9.9.8. 9.8.8.9.

 

 

En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;

en laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen.

Hebreeën 10:24-25

 

Gezellig mens, hoe dus alleen

In ’t eenzaam stil vertrek gebleven?

Heeft ’t zoet van ’t sticht’lijk samenleven

Voor u dan geen bekoorlijkheên?

 

In ’t eenzaam [ver]gaêrt de ziele schatten

– ’t is waar – die m’[en] elders nergens vindt;

En hij die ware wijsheid mint,

Dwaalt, zo hij z’ in ’t gewoel wil vatten.

 

Maar alle ding heeft [zijn] tijd en keer.

De wijsheid die men heeft verkregen

In ’t eenzaam, vloei’ gelijk een regen,

Waar ’t past, van uwe lippen neer.

De wijsheid die men heeft verzameld,

Doet zelfs als zij zich meedeelt, winst;

Ja, woekert ook door hem die, minst

Geacht, met weinig kennis stamelt.

 

Erken Gods wil in deze zaak,

Die ’t pronkstuk van Zijn alvermogen [de mens]

Niet slechts voorzag met vérziend’ ogen,

Maar ook ’t gehoor schonk en de spraak,

Opdat het onderling vermelde [Opdat de mensen onder elkaar zouden vermelden]

Gods grootheid, majesteit en macht,

Die ’t al uit niet heeft voortgebracht

En op Zijn wenk in orde stelde.

Of om het onbegrepen goed

Dat God zo heerlijk in Zijn Zone

Stelt voor ’t geheiligd oog ten tone,

Te roemen met een blij gemoed;

Om daar Gods deugden in t’ aanschouwen.

Waar blinken die ooit schoner uit,

Dan waar men, volgens ’t vreêbesluit,

Ziet Jezus met Zijn kerkbruid trouwen?

 

God krijgt – ’t is zeker – ook Zijn eer

Van zulken die, schoon z’ eenzaam leven,

In stille aandacht opwaarts streven

Met halleluja’s naar hun Heer’,

Terwijl zij dikwijls aangenamer

In ’t Woord, die grondeloze zee,

Zich baden en, met God in vreê,

Hun harten oop’nen, niet hun kamer.

 

’t Is heug’lijk, wis [Dat is aangenaam, jazeker]: maar God eist méér.

’t Is Hem behagelijk dat vromen

Tot nut en stichting samenkomen,

En dat men zich niet al te zeer

Zal aan deez’ liefdeplicht onttrekken.

Wie altoos in het eenzaam zit,

Hoe kan hij, als een sierlijk lid,

Ook ánd’ren tot Gods liefde wekken?

 

Hoe geeft men ooit op zwakken acht,

Om die in hun geloof te sterken?

Hoe spoort men hen [aan] tot goede werken?

Hoe wordt die liefdedienst betracht,

Om treur’ge zielen t’ onderrichten

Naar ’t Woord, met troost of wijze raad?

Of hem die ’t deugdenspoor verlaat,

Intijds tot [om]keren te verplichten?

 

Dreigt ’s Heeren roê de kerk of ’t land,

Gelijk, helaas! in deze dagen?

Hoe billijk is ’t Gods strenge slagen

Te wenden, met vereende hand

En hart van eensgezinde vromen,

Die niet slechts eenzaam met gebeën

Voor Sion tot hun Vader treên;

Maar die met opzet samenkomen

Om Gods ontferming, schoon te snood

Door Neêrlands klimmende gebreken

Verbeurd, van Hem nog af te smeken,

Eer Hij Zijn arm ter wraak ontbloot.

 

Of schenkt God aan het land Zijn zegen?

Wendt Hij de welverdiende straf

En alle plagen gunstig af?

Of vloeit Hij als een milde regen,

Met Zijn genaad’ op Sion neer?

Verandert Hij in gunst de tijden,

En wijkt voor rust en blijdschap ’t lijden?

En zou ’t getrouwe volk hun Heer’

Niet naderen met lofgezangen,

En met de blijden blijde zijn,

En in die lieve zonneschijn

Elkander met gejuich vervangen? [De een na de ander juichen]

 

Gewis, dat eist de liefdeband

Van Christus’ nauw vereende leden,

Dat zij in licht of donkerheden

Verenen hart en stem en hand.

 

Wie die dit weegt [voor wie dit belangrijk is], durft zich onttrekken?

Wie wordt niet door zijn plicht [aan]gespoord?

Wie wordt niet door het nut bekoord

Om zich blijmoedig op te wekken?

Om, met bedoeling van Gods eer,

Zijn boeken en bespiegelingen,

En al zijn nuttig’ oefeningen

Te wisselen met een nut verkeer? [Te verruilen voor nuttige omgang met anderen]

 

Om niet meer, altijd opgesloten,

Te schuilen in een stille hoek?

De samenleving is een boek

Dat óók de kennis kan vergroten!

Elk christen is daarvan een blad,

Waar ook al veel uit valt te leren.

De leiding van het volk des Heeren

Op hunne weg naar ’s hemels stad,

Zo vol van wijsheid en van wonderen,

Die in een zoet verkeer alleen [Die alleen in onderling contact]

Ontdekt wordt, geeft ons dubb’le reên

Om ons niet altoos af te zonderen,

En and’ren en zichzelf het zoet

Te onttrekken, dat men [ge]wis zou smaken,

Als lust tot geestelijke zaken

Het hart der vromen branden doet.

 

Alleen, men wachte zicht voor twisten

Of ijd’le praat, die niemand sticht.

Hoewel dat kwaad, helaas! te licht [maar al te gemakkelijk]

Inkruipt door satans helse listen.

Dan dient er moedig tegenstand

Geboden, om dat vuil te keren,

Onnutte, ijd’le klap [roddel] te weren,

Eer ’t onkruid krijgt de overhand.

 

Dat zou de christennaam bevlekken,

De ziel verwonden en het hart,

Voor [in plaats van] blijdschap, baren rouw en smart.

Dat zich dan elk tracht’ op te wekken

Tot dankbaarheid met hart en mond

Voor ’s Heeren wijz’ en heil’ge goedheid,

Die zoveel stichting, nut en zoetheid

In ’t onderling verkeer ons gont [vergunt].

 

Dat ieder die God vreest, met psalmen

In ’t eenzaam’ en in zamening [gezamenlijk]

Gelovig door de wolken dring’;

Terwijl én oor én tong, met galmen

Vervuld, Hem loov’ Die eeuwig leeft,

Die in ’t gezelschap van de vromen

Zelf met Zijn Geest wil nederkomen,

En Die ons tong en oren geeft.

 

 

Sta stil, mijn vriend, bedaar!

Trouwhartige raad aan een verlegen ziel

 

 Dichtmaat: 12.13.12.13

Gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.

Jeremia 29:13

 

Sta stil, mijn vriend, bedaar! Niet verder; drukt Gods hand?

Hoort gij de wetstem u gelijk een zondaar vloeken?

Geef Gode d’ eer, en stel de wanhoop aan de kant,

En kent g’ uw kwalen, wil toch een geneesheer zoeken.

Als ’t nietig lichaam wordt door pijn of koorts bestreên,

Zoekt g’, en met recht, een arts om uwe nood te klagen;

En zult gij, daar ’t gevoel der bitt’re zondenweên

U treft, dan nu ook niet naar hulp en heelzalf vragen?

Zult gij uw zielswond, zo wanhopig en verblind,

Onheelbaar schatten, daar zich Arts en artsenijen [medicijnen]

Vanzelf u aanbiên? Sla die gunst niet in de wind!

Wie Hem te hulp roept, vindt welhaast een eind van lijen [lijden].

’t Is ‘Heiland Jezus’, is dat niet genoeg gezeid?

Zijn Naam alleen kan u Zijn macht te kennen geven,

En tot een blijk dat Hij is tot uw hulp bereid,

Gaf Hij uit mensenliefd’ aan ’t kruis voorheen Zijn leven.

Wat aarzelt gij? Ai, hoor, Hij roept u Zelf nog toe:

‘Kom tot Mij; zijt gij met het zondenpak beladen?
Vindt g’ u ellendig, en zijt gij die smarten moe?

Koop van Mij zalf om niet; zijt g’ anders welberaden?’

‘Maar,’ zegt gij, ‘’k durf niet, want mijn zonden zijn te groot,

Mijn hart te gruwelijk; Hij wil mij niet genezen.’

Zwijg, zulk een taal! Die niet zichzelven buitensloot,

Werd nimmer, nimmer door Hem van de hand gewezen.

Integendeel, Hij roept niet zulken die, gerust

Op eigen werk en deugd, gezond zijn in hun ogen;

Maar over zulken die, als gij, geheel bewust

Van eigen onmacht zijn, wordt Zijne ziel bewogen.

Kom gij vrij naar Hem toe; Hij geeft u ’t volle recht.

Hij vindt in zulk een hart als ’t uwe groot behagen.

Heeft Hij voor u een pad van waar berouw gelegd,

Stap langs die weg, om Hem al wat u prangt, te klagen.

G’ erkent, dat [ge]tuigt gij zelf, Hem machtig om uw wond,

Zo ’t Hem behagen kon, volkomen te genezen.

Maar zeg: wanneer ging ooit dat vonnis uit Zijn mond

Dat gij alléén moet van Zijn hulp verstoken wezen?

O nee! Sla ’t Heilwoord op, en zoek ’t vrij door en door:

Gewis, gij vindt de weg voor niemand ooit gesloten.

‘Wie zocht Mij ooit vergeefs?’ die taal komt daar wel voor;

Maar nimmer zaagt gij een die tot Hem kwam, verstoten.

Mannassen, tollenaars, Magdalenen en Zacheeën,

En Paulussen, die moord en snode dreiging blazen,

Wees Hij nooit van de hand, of zond ze ledig heen.

Hoe laat gij u door zo een ijd’le vrees verbazen?

Geef, geef de satan van nu aan dan geen geloof,

Maar treedt ootmoedig toe, werp u in Jezus’ armen.

Zoek, bid en klop Hem aan Zijn hart, Hij is niet doof.

Hij zal gewis, Hij zál Zich over u ontfermen.

Gij acht, dit zegt gij, ’t heil van Hem te dienen groot

En zou daar ’t zichtbaar’ al, waar’ ’t in uw macht, voor geven;

Gij wenst om tot Zijn eer in leven of in dood

Te zijn. Is dit uw wens? Wat hoeft gij dan te beven?

Is dit uw wens oprecht? Wel, dank Hem voor dat heil!

Of houdt een duist’re wolk u nog het oog betogen [verhuld]?

Jehovah klaar’ die op, en stell’ eens maat en peil

Aan al uw droefheid, en verlicht’ uw duist’re ogen.

Hij doe u zien wat groots Hij aan u heeft gedaan,

En schenk u (dit ’s mijn beê en ’t zij ook d’ uwe) krachten

Om op Vorst Jezus ’t oog van uw geloof te slaan,

Om Hem te loven en Zijn eeuwig heil te wachten.

 

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)