Hedwig von Redern (1866-1935) en Marion von Klot (1897-1919)

Hedwig von Redern kwam uit een oud adellijk geslacht. In Berlijn was ze een geestelijke moeder voor de ‘zigeuners’ (nu zouden we hen Sinti en Roma noemen). Ze heeft veel christelijke verhalen en liederen geschreven. Haar gedicht Weiß ich den Weg auch nicht, du weißt ihn wohl is op een bijzondere manier verbonden met de stad Riga (Letland) en de naam van Marion von Klot, die op 22-jarige leeftijd door de Bolsjewieken werd doodgeschoten.

 

Marion werd als Duits-Baltische aristocrate geboren in het huidige Letland. Haar geplande zangopleiding in Duitsland ging niet door vanwege de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog. Daarom kreeg ze in Riga zangonderricht. Ze trad toe tot het koor van de Jakobikirche. De predikant aldaar was Erhard Doebler, bij wie Marion belijdenis deed. Hij zorgde ervoor dat het gedicht van Hedwig von Redern, Weiß ich den Weg auch nicht, op een melodie van de Engelse componist J.B. Dykes werd uitgevoerd.

In de nieuwjaarsdienst van 1916 zong Marion Weiß ich den Weg auch nicht voor het eerst zelf in het openbaar. Ze maakte dit lied, dat haar lievelingslied werd, door haar zingen in de gemeente bekend. Het werd door haar bij toepasselijke gelegenheden gezongen tot troost voor de Baltische Duitsers, met wie het er in de Eerste Wereldoorlog steeds slechter voorstond.

Tijdens de oorlog hielp Marion mee in veldhospitalen. Vanaf 1918 organiseerde ze liedavonden waarop ze zelf zong. Haar stem had een zachte en heldere klank.

Begin januari 1919 namen de Bolsjewieken in Riga de macht over. Veel leidinggevende figuren werden als aartsvijanden van het communisme gevangengenomen, onder wie ook de moeder van Marion en ds. Doebler. Marion bleef bij haar grootmoeder (van moederskant; haar andere grootmoeder was in 1903 gestorven), die niet meer kon vluchten. Ze deed haar best om haar moeder vrij te krijgen. Dit had tot gevolg dat ze zelf op 7 april 1919 in de centrale gevangenis van Riga werd opgesloten. Ze zat met ruim 30 celgenotes in een veel te kleine cel onder zware omstandigheden gevangen. Er brak een vlektyfusepidemie uit. Ondanks alles probeerde ze haar celgenotes te troosten door hen toe te spreken, uit het Nieuwe Testament voor te lezen en te zingen. Elke avond zong ze het lied Weiß ich den Weg auch nicht. Ds. Doebler kon het vanuit zijn nabijgelegen cel horen.

De gevangenen verwachtten een amnestie op 1 mei, maar die bleef uit. Zo werden ze tussen hoop en vrees heen en weer geslingerd. Ook op de vooravond van haar executie (wat ze niet wist) zong Marion haar lied.

Op donderdag 22 mei zag Riga de herovering door het Baltische leger tegemoet (dit was onbekend bij de gevangenen). Kort voor de aftocht van de Bolsjewieken werden de 22-jarige Marion en 32 medegevangenen ’s middags uit hun cellen gehaald. Ze werden onder zware bewaking in een ordelijke rij door de lange gangen naar het binnenplein gevoerd. Daar hadden zich soldaten van het Rode Leger opgesteld, die alle gevangenen doodschoten. De laatste woorden van Marion zouden zijn geweest: ‘Ook nu niet zwak worden.’

Direct daarop vluchtten de soldaten en de commissarissen. Korte tijd later baande een pantserwagen van het Baltische leger zich een weg naar de gevangenis. De familieleden van de gevangenen kwamen erachteraan, richting het binnenplein. Ze waren geschokt door de aanblik waarmee ze geconfronteerd werden.

Na haar dood werd in Marions Nieuwe Testament een papier gevonden, waarop ze uit haar hoofd de melodie en tekst van Weiß ich den Weg auch nicht genoteerd had. Ze werd op 27 mei 1919 begraven naast haar grootmoeder, die slechts een aantal dagen eerder gestorven was.

Weiß ich den Weg auch nicht, Du weißt ihn wohl

1. Weiß ich den Weg auch nicht, Du weißt ihn wohl;

das macht die Seele still und friedevoll.

Ist’s doch umsonst, dass ich mich sorgend müh,

dass ängstlich schlägt das Herz, sei’s spät, sei’s früh.

 

2. Du weißt den Weg für mich, Du weißt die Zeit;

dein Plan ist fertig schon und liegt bereit.

Ich preise dich für deiner Liebe Macht,

ich rühm die Gnade, die mir Heil gebracht.

 

3. Du weißt, woher der Wind so stürmisch weht,

und Du gebietest ihm, kommst nie zu spät.

Drum wart ich still; dein Wort ist ohne Trug.

Du weißt den Weg für mich – das ist genug.

1. Al weet ik de weg niet, Gij weet hem wel;

Dat maakt mijn ziel stil en vredevol.

Het is dus voor niets dat ik mij bezorgd vermoei,

Dat mijn hart angstig klopt, hetzij laat, hetzij vroeg.

 

2. Gij wijst de weg voor mij, Gij wijst de tijd;

Uw plan is al klaar en ligt gereed.

Ik prijs U voor Uwer liefde macht,

Ik roem de genade die mij heil heeft gebracht.

 

3. Gij weet waarheen de wind zo stormachtig waait,

En Gij gebiedt hem, Gij komt niet te laat.

Daarom wacht ik steeds; Uw Woord is zonder bedrog.

Gij wijst de weg voor mij – dat is genoeg.

 

Berijmde Nederlandse versie (Joh. de Heer nr. 771)

1. Ik loop langs steile paân, maar Gij gaat mee;

Dat maakt mijn ziel zo stil, en zo vol vreê,

Dwaas is het dus als het hart zo angstig slaat,

Als ik ooit zorgen heb, ’t zij vroeg of laat.

 

2. Immers, Gij kent de weg, Gij kent mijn tijd,

Klaar ligt Uw wijs besluit, ik ben bereid.

Daarom wil ’k loven en prijs Uw liefdewacht,

Lovend het heil dat mij Gods vrede bracht.

 

3. Gij weet waarom de storm zo dreigend woedt,

En Gij bedwingt de wind zodra het moet;

Dus wacht ik stil en steun krachtig op Uw Woord,

Gij kent de weg, o Heer’, leidt Gij mij voort.

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)