top of page
Anker 1

 
Maria Sophia Herwig (1810-1836)
 

Maria Sophia Herwig werd geboren op 22 oktober 1810 in Esslingen aan de Neckar waar haar vader Friedrich August Herwig predikant was. Haar moeder heette Magdalena Dorothea Sophia Kostlin. Zij was een dochter van Friedrich Kostlin die ook predikant was geweest in Esslingen. Maria Sophia was nog maar net twee jaar toen haar moeder overleed. Een jaar later hertrouwde haar vader met Johanne Luise Friederike Osiander. Ook zij was een domineesdochter. Haar vader was Gottfried Osiander, predikant te Hausen. Van deze ‘stiefmoeder’ wordt vermeld dat ze niet minder trouw en liefdevol voor haar zorgde dan haar echte moeder.

Al in haar prille jeugd viel bij de kleine Maria Sophia haar tere Godsvrucht op, maar tevens haar schrandere geest. Toen ze twaalf jaar was, werd ze behept met een rugkwaal, een vergroeide rugwervel. Daardoor was ze op haar veertiende helemaal kromgegroeid. Haar jeugd werd daardoor danig verstoord. Ze sterkte zich evenwel in de Heere haar God. Ze droeg haar kruis en het verdiepte haar verborgen omgang met de Heere. Des te zwaarder het kruis, des te meer klampte ze zich vast aan de Heere Jezus. Dat was haar grootste vreugde. Des te meer ze uit Hem leefde, des te meer kreeg ze betrekking op de zending onder de heidenen, maar vooral ook kreeg ze een sterk verlangen dat het volk Israël tot de Heere gebracht zou worden. Je kon haar vaak in het verborgen horen bidden voor de bekering van heidenen en Joden. Hierbij speelde ook een bijzondere gebeurtenis in haar leven een rol. Toen ze tien jaar was, maakte ze mee dat haar vader op 20 mei 1820 (Drie-eenheidszondag!) in de ‘Hauptkirche’ te Esslingen rabbijn Johann Peter Goldberg uit Neuwied doopte, samen met diens vier kinderen. Deze Goldberg is een van de vurigste Jodenzendelingen geworden. Diepe indruk liet dit gebeuren bij Maria Sophia na.

In 1826 stelde ze een liedbundel samen. Daarin nam ze gezangen op van dichters die naar haar hart spraken. maar ook liederen van eigen hand waarin haar diepste zielsroerselen openbaar kwamen. Maria Sophia bleek namelijk begiftigd te zijn met dichterstalent. Bij diverse familieaangelegenheden verraste ze haar familie met een eigengemaakt gedicht. Haar krachten namen jaarlijks af, zodat ze zich nog weleens terug moest trekken uit de omgang met anderen.

Haar dagboek, dat ze op een gegeven moment ging bijhouden, getuigt van een innerlijke geestelijke strijd in die moeilijke periode, maar ook een voortdurend kinderlijk vertrouwen op Gods beloften. Met name 1 Johannes 4:16 was haar tot troost: ‘En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is Liefde en die in de liefde blijft, die blijft in God en God in hem.’

In 1835 kreeg ze een borstontsteking die haar bijna naar het graf sleepte. Ze genas daarvan en ervaarde het als een groot genadegeschenk van de Heere. Kort daarna werd ze weer ernstig ziek. Haar lijdensweg was nu nog erger dan tevoren. In die periode begeerde ze vooral als een reine maagd aan één Man voorgesteld te worden, namelijk aan Christus, naar Paulus’ woord (2 Kor.11:2) terwijl ze zich ook verzoende met het feit dat een huwelijk voor haar niet weggelegd was. In deze smeltkroes van het lijden leerde ze nog meer het Lam te volgen waarheen Het ook gaat, al zou het sterven worden.

Eind 1835 werd ze overvallen door een ernstige keelontsteking die gepaard ging met hoge koortsen. Ze was helemaal eenswillend met Gods wil en sprak voortdurend over haar hoop op het heengaan naar het Vaderhuis. Toen de dokter een dag vóór haar dood vertelde dat hij niets meer voor haar kon doen en dat ze moest sterven, verheugde ze zich daarin. Ze werd voortdurend omringd door haar vader en vijf zussen van wie er een paar getrouwd waren. Ze werd zeer verkwikt door de gebeden die zij deden en de woorden Gods die zij doorgaven. Haar getrouwde zussen wekte ze op om bij de opvoeding van de kinderen vooral op de Heiland te wijzen. ’s Avonds om tien uur vroeg ze haar vader en stiefmoeder naar bed te gaan en haar alleen te laten, nu haar uur van sterven aanbrak. Om twaalf uur liet ze zich door haar zussen van een gemakkelijke stoel in bed helpen. Nadat ze dit hadden gedaan, bedankte ze hen vriendelijk voor hun zusterlijke liefde. Daarop richtte ze zich nog eenmaal op en riep: ‘Wat een koor!’, waarna ze de laatste adem uitblies. Dat was een halfuur nadat de klok twaalf uur had geslagen, 6 januari 1836.

In Duitsland zijn meerdere liederen van haar bekend geworden. Ze zijn opgenomen in de bundel Evangelischer Liederschatz für Kirche und Haus, die ruim 3.500 liederen bevat, samengesteld door Albert Knapp en in 1837 verschenen. In ons land is ze het meest bekend geworden met haar ‘Missionslied’ ‘Wasserströme will Ich gießen / spricht der Herr, auf’s dürre Land’, tevens een van haar eerste pennenvruchten. De Nederlandse vertaler Willem Arnoldus Dwars (1793-1862) studeerde theologie te Leiden, maar diende vanwege zijn zwakke gezondheid nooit een gemeente. Wel hield hij zich veelvuldig bezig met poëzie.

Bron: ‘Nieuws uit de Hervormde Gemeente Elspeet’, 2020. Eduard Emil Koch, Geschichte des Kirchenlieds und Kirchengesangs der Christlichen, insbesondere der Deutschen Evangelischen Kirche. deel I, 1847

‘Wasserströme will Ich gießen’

1. ‘Wasserströme will Ich gießen’

– spricht der Herr – ‘aufs dürre Land;

kühlend sollen Quellen fließen

in der Wüste heißem Sand.

Wo jetzt Wandrer schmachtend ziehn,

soll ein Gottesgarten blühn.’

 

2. Ach, noch ist die Zeit der Dürre!

Schwerer Fluch bedeckt das Land;

Israel geht in der Irre,

seine Kraft ist ausgebrannt.

Wo der Blick auch sehnend schweift,

spärlich kaum ein Früchtlein reift!

 

3. Dennoch wird das Wort des Treuen

herrlich in Erfüllung geh’n;

jauchzend werden dann sich freuen,

die jetzt still mit Tränen sä’n,

wann der Segensstrom des Herrn

alles füllet nah und fern.

 

4. Darum mutig stets, ihr Brüder!

Eilet dem Verlornen nach;

sucht des Volkes Gottes Glieder

liebend auf in ihrer Schmach!

ladet sie von Berg und Tal

zu des Königs Hochzeitmahl!

 

5. Scheint es oft vergeblich Mühen,

segensloses Kämpfen euch,

denkt: auf rauem Pfade ziehen

alle in dem Kreuzesreich!

Doch wer seinem König dient,

dem hat stets ein Kranz gegrünt.

 

6. Herr, erhöre uns, und sende

Deinen Heil’gen Geist uns zu,

der uns Mut im Kampfe spende,

und in Trübsal stille Ruh’!

Ja, wir wollen Dir vertrau’n:

Du wirst Zion wieder bau’n!

‘Waterstromen wil Ik gieten’

1. ‘Waterstromen wil Ik gieten’,

spreekt de Heer’, ‘op ’t dorre land;

koele bronnen zullen vlieten

door ’t verschroeiend Oosterzand.

Waar nu pelgrims smachtend gaan,

zal een hof des Heeren staan.’

 

2. Nog drukt d’ aard’ een bange stonde:

duisternis voert nog gebied;

nog doolt Israël in ’t ronde,

vraagt naar zijne Koning niet;

maar zijn Koning vraagt naar hem...

Kom, verdoolde, hoor Zijn stem!

 

3. ’s Heeren heilwoord kan niet falen:

als Zijn Geest de hof doorwaait,

zal het lichten in de dalen,

rijpen wat de hoop nu zaait,

schiet het veld, nu naakt en dood,

volle halmen uit zijn schoot.

 

4. Toon u moedig, uitverkoor’nen,

doe Gods werk, maar in Gods kracht!

Leid de blinden, red verloor’nen

uit des afgronds bange nacht;

roep heel Isrel tot de Heer’,

tot de hoop der vaad’ren weer!

 

5. Brengt u d’ aanvang luttel zegen,

mist volharding schijnbaar ’t loon,

God zal onze arbeid wegen,

en ’t gelove wacht de kroon.

Waak en ijver, bid en strijd:

kent God niet Zijn eigen tijd?

 

6. Heer’ der heren, hoor ons staam’len,

laat ons, vol van Uwe Geest,

velen uit Uw volk verzaam’len

tot Uw hemels bruiloftsfeest!

Och, werd ook door ons aanschouwd

hoe G’ Uw Sion, Heer’, herbouwt!

 

7. Zie, Hij komt eens met de wolken,

wie dan d’ aard’ als Koning groet!

Rijz’ ’t hosanna! Jubel, volken,

strooi uw palmen voor Zijn voet!

Christ’nen, Joden, heid’nen saâm

knielen dan in ene Naam!

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)
 

bottom of page