Augustus Montague Toplady (1740-1778) 

Augustus Montague Toplady heeft veel liederen gedicht, o.a. ‘Rock of Ages, cleft for me’ (Vaste Rots van mijn behoud).

 

Toplady werd op 14 november 1740 geboren in Farnham, Surrey, Engeland. Toen hij nog maar enkele maanden oud was, verloor hij zijn vader tijdens de Slag van Cartagena (in Colombia). In zijn tienerjaren verhuisden zijn moeder en hij naar Ierland. Als 15-jarige jongen was hij op een avond samen met zijn moeder in het graafschap Wexford onderweg, toen ze zingen uit een schuur vandaan hoorden komen. Ze bleven staan om te luisteren en waagden het vervolgens om naar binnen te gaan. Toen het zingen was afgelopen, bediende een eenvoudige, ootmoedige knecht van God, James Morris, het Woord vanuit de tekst: ‘Gij, die eertijds verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus’ (Ef. 2:13). Toplady herinnert zich deze avond als ‘de gedenkwaardige avond van mijn krachtige roeping door de genade van God. ... Vreemd dat ik, die in Engeland zo lang onder de genademiddelen gezeten had, tot God nabij gebracht zou worden in een afgelegen deel van Ierland, te midden van een handvol van Gods volk dat in een schuur samengekomen was, en onder de bediening van iemand die amper zijn eigen naam kon spellen! Zeker, dit was van de HEERE geschied en het is wonderlijk! [Ps. 118:23] De uitnemendheid van zulk een kracht moet Godes zijn en niet uit mensen [2 Kor. 4:7]. De wederbarende Geest blaast niet alleen op wie, maar ook wanneer, waar en gelijk Hij wil [vgl. Joh. 3:8].’

Toplady behaalde in 1760 zijn graad als Master of Arts aan het Trinity College en werd het jaar daarop bevestigd als predikant in de Anglicaanse Kerk. Zijn eerste standplaats was Blagdon. Na korte tijd in twee andere gemeenten te hebben gestaan, verhuisde hij in 1768 naar Broadhembury en zo’n zeven jaar later naar Londen. Ondertussen was zijn gezondheid achteruit aan het gaan. In de kapel van Leicester Fields in Londen verkondigde hij nog twee jaar het Evangelie, geregeld voor grote menigten van zo’n 1.200 tot 1.500 mensen.

Toplady was een man van diepe godsvrucht. Hij verlangde zeer naar persoonlijke heiligheid en wijdde al zijn intellectuele gaven en geleerdheid aan de Heere toe. Zijn hele leven door mocht hij de zekerheid van zijn persoonlijke zaligheid in Christus genieten. Hij noemde zichzelf ‘de gelukkigste man ter wereld’. Toen de dokter tijdens zijn laatste ziekte aangaf dat zijn pols zwakker werd, zei hij blij: ‘Wel, dat is een goed teken dat mijn dood snel dichterbij komt; en, geloofd zij God, ik kan eraan toevoegen dat mijn hart elke dag hoe langer hoe sterker klopt voor de heerlijkheid.’ Hij zag de oproep van zijn Heere tegemoet en op 11 augustus 1778 barstte hij in vreugdetranen uit onder de uitroep: ‘Het zal niet lang duren voordat God mij opneemt, want geen sterveling kan nog leven na de heerlijkheden die God aan mijn ziel geopenbaard heeft.’ Zo ging Toplady op 37-jarige leeftijd de heerlijkheid binnen.

 

A debtor to mercy alone

1. A debtor to mercy alone,

Of covenant mercy I sing;

Nor fear, with Thy righteousness on,

My person and offering to bring.

The terrors of law and of God

With me can have nothing to do;

My Saviour’s obedience and blood

Hide all my transgressions from view.

 

2. The work which His goodness began,

The arm of His strength will complete;

His promise is Yea and Amen,

And never was forfeited yet.

Things future, nor things that are now,

Not all things below nor above,

Can make Him His purpose forgo,

Or sever my soul from His love.

 

3. My name from the palms of His hands

Eternity will not erase;

Impressed on His heart it remains,

In marks of indelible grace;

Yes, I to the end shall endure,

As sure as the earnest is given;

More happy, but not more secure,

The glorified spirits in heaven.

1. Als een schuldenaar aan genade alleen,

Zing ik van verbondsgenade;

En vrees niet, met Uw gerechtigheid bekleed,

Om U mijn persoon en offerande te brengen.

De verschrikkingen van de wet en van God

Kunnen met mij niets van doen hebben;

De gehoorzaamheid en het bloed van mijn Zaligmaker

Verbergen al mijn overtredingen uit het zicht.

 

2. Het werk dat Zijn goedheid begon,

Zal de arm van Zijn kracht voltooien;

Zijn belofte is Ja en Amen,

En werd nog nooit gebroken.

Toekomstige dingen noch dingen die nu zijn,

Alle dingen hierbeneden noch daarboven,

Kunnen Hem Zijn voornemen doen opgeven,

Of mijn ziel van Zijn liefde scheiden.

 

3. Uit de palmen van Zijn handen zal

De eeuwigheid mijn naam niet wegvagen;

Ingedrukt op Zijn hart blijft hij staan

In merktekenen van onuitwisbare genade;

Ja, ik zal tot het einde toe volharden,

Net zo zeker als het onderpand gegeven is;

Gelukkiger, maar niet veiliger

Zijn de verheerlijkte geesten in de hemel.

 
 

From whence this fear and unbelief?

1. From whence this fear and unbelief?

Hath not the Father put to grief

His spotless Son for me?

And will the righteous Judge of men

Condemn me for that debt of sin,

Which, Lord, was charged on Thee?

2. Complete atonement Thou hast made,
And to the utmost farthing paid
Whate’er Thy people owed;
How then can wrath on me take place,
If sheltered in Thy righteousness,
And sprinkled with Thy blood?

3. If Thou hast my discharge procured,
And freely in my room endured
The whole of wrath divine;
Payment God cannot twice demand –
First at my bleeding Surety’s hand,
And then again at mine.

4. Turn then, my soul, unto thy rest;
The merits of thy great High-priest
Hath bought thy liberty;
Trust in his efficacious blood;
Nor fear thy banishment from God,
Since Jesus died for thee.

Waarom die angst, die mij vervult?

1. Waarom die angst, die mij vervult?

Heeft niet de Vader voor mijn schuld

Zijn eigen Zoon doen lijden?

Zal nu de Rechter van ’t heelal

Mij toch verdoemen? Nee, Hij zal

Op grond van recht bevrijden!

 

2. Volmaakt is Uw verzoeningswerk.

Geen penning eist U van Uw Kerk,

Wat zij ook schuldig waren.

Hoe kunt U dan nog toornig zijn?

Door Uw verdienste ben ik rein;

Uw bloed zal mij bewaren.

 

3. Mijn vrijspraak is Uw eigen werk:

U ging de dood in voor Uw Kerk

En hebt Gods toorn verdreven.

God eist geen tweemaal dat ’k betaal:

Eerst in mijn Borg en andermaal

Ook met mijn eigen leven.

 

4. Mijn ziel, keer weder tot uw rust.

Gods toorn is eeuwig uitgeblust,

Door Jezus is ’t verworven.

Verlaat u op Zijn dierbaar bloed.

Hij blijft bij u; heb goede moed!

Hij is voor u gestorven.

Rock of Ages, cleft for me

Een over heel de wereld bekend geworden lied van Toplady is ‘Vaste Rots van mijn behoud’ (‘Rock of Ages, cleft for me’).

 

Toen Toplady predikant was in Blagdon, liep hij op een dag door de schitterende rotsachtige vallei Burrington Combe, op enkele kilometers afstand van zijn huis. Daar werd hij plotseling door een storm overvallen. Het was een erg open terrein dat geen beschutting bood, maar Toplady bespeurde een kloof in een rotsblok (van zo’n 30 meter hoog) langs het pad, waarin hij zijn toevlucht nam totdat de storm bedaarde.

 

Het is goed mogelijk dat deze gebeurtenis inderdaad heeft plaatsgevonden en Toplady eraan terugdacht toen hij jaren later de hymne ‘Rock of ages, cleft for me’ schreef. De Engelse kanttekening bij Jesaja 26:4 vermeldt dat daar in de Hebreeuwse grondtaal ‘the rock of ages’ staat. Dit zal Toplady niet ontgaan zijn.

Het lied verscheen in zijn geheel in oktober 1775 in het tijdschrift Gospel Magazine, waarvan Toplady toen redacteur was (van 1775-1776). Het is ondertekend met de initialen A.T. en erboven staat:

 

Een GEBED in leven en sterven voor de HEILIGSTE GELOVIGE ter wereld

 

1. ROCK of Ages, cleft for me,

Let me hide myself in Thee!

Let the water and the blood,

From Thy riven side which flowed,

Be of sin the double cure,

Cleanse me from its guilt and power.

 

2. Not the labors of my hands

Can fulfill Thy law’s demands:

Could my zeal no respite know,

Could my tears forever flow,

All for sin could not atone:

Thou must save, and Thou alone!

 

3. Nothing in my hand I bring;

Simply to Thy cross I cling;

Naked, come to Thee for dress;

Helpless, look to Thee for grace;

Foul, I to the fountain fly:

Wash me, SAVIOR, or I die.

 

4. Whilst I draw this fleeting breath –

When my eye-strings break in death –

When I soar through tracts unknown –

See Thee on Thy judgment-throne –

Rock of ages, cleft for me,

Let me hide myself in THEE!

Vertaling ds. C.J. Meeuse (2015)

 

1. Rots der eeuwen, Rots voor mij,

Dat Uw kloof mijn schuilplaats zij.

Laat het water en het bloed,

Dat voor zondenschuld voldoet,

En eens uit Uw zijde vlood,

Mij genezen van mijn dood.

 

2. Niet het werk dat ik verzet,

Kan genoegdoen aan Uw wet.

Jaagt mijn ijver mij steeds meer,

Ween ik tranen altijd weer.

Niets verzoent mijn zondenschuld,

Als U mij niet redden zult.

1. ROTS der eeuwen, gekliefd voor mij,

Laat mij mijzelf verbergen in U!

Laat het water en het bloed,

Dat stroomde uit Uw gescheurde zijde,

Het dubbele geneesmiddel voor de zonde zijn,

Mij reinigen van haar schuld en macht.

 

2. Niet de werken van mijn handen

Kunnen de eisen van Uw wet vervullen:

Al zou mijn ijver geen rust kennen,

Al konden mijn tranen eeuwig stromen,

Alles kan geen verzoening doen voor de zonde:

Gij moet redden, en Gij alleen!

 

3. Niets breng ik in mijn hand mee;

Eenvoudig klem ik mij aan Uw kruis vast;

Naakt kom ik tot U om kleding;

Hulpeloos zie ik tot U op om genade;

Vuil vlucht ik tot de Fontein;

Was mij, ZALIGMAKER, of ik sterf.

 

4. Zolang ik deze vervliegende adem inadem –

Wanneer mijn oogspieren in de dood breken –

Wanneer ik door onbekende streken zweef –

U zie zitten op Uw oordeelstroon –

Rots der eeuwen, gekliefd voor mij,

Laat mij mijzelf verbergen in U!

3. Lege handen klem ik vast

Aan Uw kruishout. Hoe gepast

Is waar U mij mee bekleedt,

Mij, die om genade kreet.

Vuil zoek ik Uw heilsfontein

Was mij, Heiland, maak mij rein.

 

4. Als mijn adem mij verlaat,

Door de dood mijn oog vergaat;

Als ik zweef naar ’t eeuwig doel,

Kom tot voor Uw rechterstoel,

Rots der eeuwen, dat voor mij

Dan Uw kloof mijn schuilplaats zij.

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)