John Newton (1725-1807)

Zie deze pagina voor zijn Olney Hymns.

 

 

 

Amazing grace! How sweet the sound

 

 

Behold the throne of grace

 
 

 

1. Behold the throne of grace!

The promise calls me near;

There Jesus shows a smiling face,

And waits to answer prayer.

 

2. That rich atoning blood,

Which sprinkled round I see,

Provides for those who come to God,

An all-prevailing plea.

 

3. My soul, ask what thou wilt,

Thou canst not be too bold;

Since His own blood for thee He spilt,

What else can He withhold?

 

4. Beyond thy utmost wants

His love and pow’r can bless;

To praying souls He always grants

More than they can express.

 

5. Since ’tis the Lord’s command,

My mouth I open wide;

Lord, open Thou Thy bounteous hand,

That I may be supplied.

 

6. Thine image, Lord, bestow,

Thy presence and Thy love;

I ask to serve Thee here below,

And reign with Thee above.

 

7. Teach me to live by faith,

Conform my will to Thine;

Let me victorious be in death,

And then in glory shine.

 

8. If Thou these blessings give,

And wilt my portion be,

Cheerful the world’s poor toys I leave

To them who know not Thee.

 

1. Aanschouw de troon der genade!

De belofte roept mij naderbij;

Daar toont Jezus Zijn toelachend gelaat

En wacht Hij om het gebed te beantwoorden.

 

2. Het rijke verzoenende bloed

Dat ik rondom gesprenkeld zie,

Voorziet degenen die tot God komen

Van een alles-vermogende pleitgrond.

 

3. Mijn ziel, vraag wat u wilt,

U kunt niet té vrijmoedig zijn;

Daar Hij Zijn eigen bloed voor u vergoot,

Wat kan Hij u nog onthouden?

 

4. Boven uw uiterste noden

Kan Zijn liefde en macht u zegenen;

Aan biddende zielen geeft Hij altijd

Meer dan zij kunnen uitdrukken.

 

5. Omdat de Heere het gebiedt,

Doe ik mijn mond wijd open;

Heere, open Gij Uw milde hand

Om mijn nooddruft te vervullen.

 

6. Schenk mij Uw beeld, Heere,

Uw tegenwoordigheid en Uw liefde;

Ik vraag hierbeneden U te mogen dienen

En daarboven met U te mogen heersen.

 

7. Leer mij te leven door het geloof,

Maak mijn wil gelijkvormig aan Uw wil;

Laat mij zegevieren in de dood

En dan stralen in de heerlijkheid.

 

8. Als Gij deze zegeningen geeft

En mijn Deel wilt zijn,

Laat ik graag de arme speeltjes van de wereld

Over aan degenen die U niet kennen.

Glorious things of thee are spoken

Uit: Olney Hymns (John Newton en William Cowper)

in drie boeken

Boek I. Over geselecteerde Schriftgedeelten.

Boek II. Over specifieke thema’s.

Boek III. Over de voortgang en veranderingen van het geestelijke leven.

 

Onderstaand lied komt uit de liederen over het boek Jesaja in Boek I.

 

SION, of: DE STAD GODS

Jesaja 33:27-28

 

 

1. Glorious things of thee are spoken, (Ps. 87:3)

Zion, city of our God!

He whose word cannot be broken,

Formed thee for His own abode; (Ps. 132:14)

On the Rock of Ages founded, (Matth. 16:16,18)

What can shake thy sure repose?

With Salvation’s walls surrounded, (Jes. 26:1)

Thou may’st smile at all thy foes.

 

2. See! the streams of living waters

Springing from eternal love, (Ps. 46:5)

Well supply thy sons and daughters,

And all fear of want remove;

Who can faint while such a river

Ever flows their thirst t’ assuage?

Grace which, like the Lord, the Giver,

Never fails from age to age.

 

3. Round each habitation hov’ring,

See the cloud and fire appear! (Jes. 4:5-6)

For a glory and a cov’ring,

Showing that the Lord is near;

Thus deriving from their banner

Light by night and shade by day;

Safe they feed upon the manna

Which He gives them when they pray.

 

4. Blest inhabitants of Zion,

Washed in the Redeemer’s blood!

Jesus, whom their souls rely on,

Makes them kings and priests to God; (Openb. 1:6)

’Tis His love His people raises

Over self to reign as kings;

And as priests, His solemn praises

Each for a thank-off’ring brings.

 

5. Saviour, if of Zion’s city

I through grace a member am,

Let the world deride or pity,

I will glory in Thy Name;

Fading is the worldling’s pleasure,

All his boasted pomp and show;

Solid joys and lasting treasure,

None but Zion’s children know.

 

1. Heerlijke dingen worden van u gesproken,

Sion, stad van onze God!

Hij Wiens Woord niet kan worden gebroken,

Heeft u geformeerd tot Zijn eigen woonplaats;

Op de Rots der eeuwen gefundeerd,

Wat kan uw vaste rust doen wankelen?

Door de muren des heils omringd,

Kunt u glimlachen over al uw vijanden.

 

2. Zie! de beken der levende wateren,

Die ontspringen uit eeuwige liefde,

Voorzien uw zonen en dochters rijkelijk,

En nemen alle vrees voor gebrek weg;

Wie kan bezwijken terwijl zo’n rivier

Altijd stroomt om hun dorst te lessen?

Genade die, evenals de Heere, de Gever,

Nimmer faalt van eeuw tot eeuw.

 

3. Zwevend rondom elke woning,

Zie de wolk en het vuur verschijnen!

Tot heerlijkheid en tot een bedekking,

Tonen deze dat de Heere nabij is;

Zo ontlenen zij aan hun banier

Licht bij nacht en schaduw overdag;

Veilig voeden zij zich met het manna

Dat Hij hun geeft wanneer zij bidden.

 

4. Gezegende inwoners van Sion,

Gewassen in het bloed van de Zaligmaker!

Jezus, op Wie hun zielen zich verlaten,

Maakt hen tot koningen en priesters Gode;

Het is Zijn liefde die Zijn volk verheft

Om over hun ik als koningen te heersen;

En als priesters brengt eenieder

Zijn plechtige lof ten dankoffer.

 

5. Zaligmaker, als van Sions stad

Ik door genade een lid ben,

Laat de wereld mij uitlachen of beklagen,

Ik zal roemen in Uw Naam;

Verwelkend is het plezier van de wereldling,

Al zijn pracht en praal waar hij op pocht,

Duurzame vreugden en blijvende schatten

Kent niemand dan Sions kinderen.

 
 

My soul, this curious house of clay

Hope beyond the grave (1 Petr. 1:3-5 Joh. 14:2)

 

1. My soul, this curious house of clay,

Thy present frail abode,

Must quickly fall to worms a prey,

And thou return to God.

 

2. Canst thou, by faith, survey with joy

The change before it come,

And say, “Let Death this house destroy;

I have a heavenly home?

 

3. “The Saviour, whom I than shall see,

With new admiring eyes,

Already has prepares for me

A mansion in the skies.

 

4. “I feel this mud-walled cottage shake,

And long to see it fall;

That I my willing flight may take

To Him who is my All.

 

5. “Burdened and groaning then no more,

My rescued soul shall sing,

As up the shining path I soar,

‘Death, thou hast lost thy sting.’ ”

 

6. Dear Saviour, help us now to seek,

And grant Thy Spirit’s power;

That we may all this language speak,

Before the dying hour.

Hoop voor de overzijde van het graf

 

Mijn ziel, dit lemen huis, gewrocht als een borduursel,

Uw huidige kwetsbare verblijfplaats,

Moet spoedig aan de wormen ten prooi vallen

En u zult tot God terugkeren.

 

Kunt u, door het geloof, met vreugde

Die verandering beschouwen voordat ze komt,

En zeggen: “Laat de dood dit huis verwoesten;

Ik heb een hemels thuis?

 

“De Zaligmaker, Die ik dan zal zien

Met nieuwe, bewonderende ogen,

Heeft voor mij reeds

Een woning in de hemel bereid.

 

“Ik voel de lemen muren van dit huisje schudden,

En verlang het te zien vallen;

Opdat ik bereidwillig mijn vlucht mag nemen

Tot Hem Die mijn Alles is.

 

“Dan niet meer belast en zuchtend,

Zal mijn verloste ziel zingen,

Terwijl ik langs het blinkende pad omhoog zweef:

‘Dood, u hebt uw prikkel verloren.’ ”

 

Lieve Zaligmaker, help ons nu te zoeken,

En schenk de kracht van Uw Geest;

Opdat wij allen deze taal mogen spreken,

Vóór het uur van ons sterven.

How sweet the Name of Jesus sounds

1. How sweet the Name of Jesus sounds

In a believer’s ear!

It soothes his sorrows, heals his wounds,

And drives away his fear.

 

2. It makes the wounded spirit whole,

And calms the troubled breast;

’Tis manna to the hungry soul,

And to the weary, rest.

 

3. Dear Name, the Rock on which I build,

My Shield and Hiding Place,

My never failing treasury, filled

With boundless stores of grace!

 

4. By Thee my prayers acceptance gain,

Although with sin defiled;

Satan accuses me in vain,

And I am owned a child.

 

5. Jesus! my Shepherd, Husband, Friend,

My Prophet, Priest and King,

My Lord, my Life, my Way, my End,

Accept the praise I bring.

 

6. Weak is the effort of my heart,

And cold my warmest thought;

But when I see Thee as Thou art,

I’ll praise Thee as I ought.

 

7. Till then I would Thy love proclaim

With every fleeting breath,

And may the music of Thy Name

Refresh my soul in death!

Hoe zoet klinkt Jezus’ dierb’re Naam

1. Hoe zoet klinkt Jezus’ dierb’re Naam

in d’ oren van Zijn volk;

die Naam heelt elke zielewond,

verdrijft elk’ onweêrswolk.

 

2. Die Naam geeft rust aan ’t bang gemoed,

en lenigt alle smart;

’t is Manna dat de ziele voedt,

en Balsem voor het hart.

 

3. O dierb’re Naam! Mijn Toevluchtsoord,

mijn Schild, mijn Rots zijt Gij;

een onuitputb’re rijkdom van

genade, vol en vrij!

 

4. Door U wordt mijn gebed aanvaard,

al is ’t door zond’ onrein;

de satan klaagt mij nut’loos aan,

want Gij zegt: ‘U bent Mijn.’

 

5. O Jezus, Priester en Profeet,

mijn Koning, Herder, Heer’,

Gij zijt de Waarheid, Gij de Weg,

Gij ’t Leven dat ’k begeer.

 

6. Zwak is mijn poging tot Uw lof,

koud klinkt mijn warmste dank;

maar in de hemel prijs ik U

eens met volmaakte klank!

 

7. Zolang ik leef, prijs ik Uw Naam

met elke adem weêr;

o, dat Uw Naam in 't stervensuur

mijn ziel tot troost zij, Heer’!

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)