top of page
Anker 1


Mr. Isaac da Costa (1798-1860)

De Jood Isaac da Costa werd in 1822 op 24-jarige leeftijd als christen gedoopt in de Pieterskerk in Leiden.

Bij t openslaan van t Boek der boeken

In een Bijbel (1835)

 

Bij ’t openslaan van ’t Boek der boeken,

gedenk, o christen, dag aan dag,

dat wie dat Woord wil onderzoeken,

geen eigen licht vertrouwen mag.

Geen mensenwijsheid zou hier baten,

geen vlijtig’ arbeid hier volstaan;

all’ eigenwijsheid dient verlaten –

een ander oog moet opengaan.

 

Voordat g’ u dan begeeft tot lezen,

val, christen, val uw God te voet!

en dat een heilig, heilzaam vrezen

zich meester maak’ van uw gemoed!

Vraag, eer gij verdergaat, een zegen;

vraag ogen, oren en een hart!

en – Jezus Zelve koom’ u tegen

in dit Zijn woord bij vreugd en smart.

Anchor 7
Anchor 5

De dag der kroning is gekomen!

Hemelvaartslied

 

God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.

Psalm 47: 6.

 

Melodie: Psalm 33

 

1. De dag der kroning is gekomen!

O all’ gij vorsten, kust de Zoon!

Hij heeft de helburcht ingenomen,

De Triomfeerder stijgt ten troon!

Aarde en hemel galmen!

Sion, van uw psalmen

davert het heelal!

God is opgevaren

Met gejuich der scharen,

Met bazuingeschal!

 

2. Die dag reeds groette met verlangen

Het heilverbeidend voorgeslacht!

Die riepen z’ uit met ommegangen,

Toen d’ arke Gods werd opgebracht! (2 Sam. 6; Ps. 47 en 48)

Met gewijde reien,

trommels en schalmeien

Vierde reeds dit feest,

Deze dag der ere

Van zijn Zoon en Heere, (Matth. 22:42-45)

David in de Geest!

 

3. De schaduwbeeldt’nis is verdwenen,

Die Isrel door ’t geloof verstond!

En in Zijn tempel is verschenen

De levend’ Ark van ’t Godsverbond. (Openb. 11:10)

Buigt u voor de drempel

Van die hemeltempel,

Kerke Gods op aard’!

Looft Hem in den hoge,

Heil’gen, voor wier ogen

God Zich dus verklaart!

 

4. G’ ontsloot u voor de Vorst der ere,

O poorten der gerechtigheid! (Ps. 24:9-10)

G’ ontvingt der legerscharen Heere

In Zijne Midd’laarsmajesteit!

Jezus daalde neder!

Jezus keerde weder

In Zijn heerlijkheid,

Waar Hij voor de Zijnen,

Tot Hij zal verschijnen,

Bidt en plaats bereidt!

 

5. De HEERE sprak tot mijne Heere:

‘Zit aan Mijn rechterhand met Mij.’ (Ps. 110:1; Openb. 3:21)

Dat alle hoogheid zich verneêre

Voor ’t scepter dezer heerschappij!

Leg de waap’nen neder

Voor die Draakvertreder,

Overwonnen hel!

Schuddet Hem uw palmen,

Wierookt Hem met psalmen,

Geest’lijk Israël!

6. De glorie straalt uit die Behouder,

Die ’t bloedig zweet werd uitgedrukt!

De heerschappij rust op die schouder,

Die onder ’t kruishout ging gebukt!

Die de heid’nen hoonden

En met doornen kroonden,

Heerst als aller Heer’!

Die de wereld smaadde,

Die de vloek betaalde,

Leeft, gekroond met eer!

 

7. In u verheugt zich thans die Koning,

O kerk, Zijn uitverkoren bruid!

Op u, tot eeuw’ge trouwbetoning,

Strooit Hij de gaven zeeg’nend uit! (Ps. 68:19; Ef. 4:8-12)

Vier met Hem victorie

Op de dag der glorie

Van des mensen Zoon;

Op de dag der kroning

Van de Vredekoning,

Priester op Zijn troon! (Zach. 6:13; Hebr. 7:1-2; Ps. 110:4)

 

8. G’ ontvingt die gaven, blijde scharen,

Thans geen verlaten wezen meer! (Joh. 14:18)

Gij zaagt uw Heer’ ten hemel varen –

De Heil’ge Geest daald’ op u neer!

D’ engelen daarboven,

Met de heil’gen, loven

God, op aard geweest!

En de kerk beneden

Ziet Zijn plaats betreden

Door Zijn eigen Geest! (Joh. 16:7)

 

9. Laat ons steeds hopen, bidden, waken

En ons versterken in ons Hoofd!

Ook heden wil Hij vreugde maken

Aan al wie deze Geest gelooft! (Joh. 14:26; 15:26)

Gij wierdt opgenomen,

Gij zult wederkomen,

Onze Hemelvorst!

Gij stort uit den hoge

Stromen op het droge,

Laving aan wie dorst! (Jes. 44:3)

 

10. Laat aard’ en hemel zich verbinden,

Thans door Zijn bloed verzoend tezaâm,

Om voor die Name lof te vinden,

Die hoger is dan alle naam! (Filipp. 2:6-11)

Van triomfzanggalmen,

Van hosannapsalmen,

Davere ’t heelal!

God is opgevaren,

Met gejuich der scharen,

Met bazuingeschal!

Anchor 3

De zeven Geesten voor de troon

Genade zij u en vrede van Hem Die is, en Die was, en Die komen zal;

en van de zeven Geesten Die voor Zijn troon zijn.

(Openbaring 1:4)

 

Melodie: Psalm 36

 

1. De zeven Geesten [1] voor de troon

zij, met de Vader en de Zoon,

aanbidding, lof en ere!

Het Zevengeestental is Eén,

oneindig in verscheidenheên,

maar steeds één Geest, één Heere!

Bij donderslag- en stemgeluid

schiet Hij in zeven stralen uit [2]

op d’ allerhande scharen!

Van Hem is ’t vloeib’re olijvengoud

dat d’ eeuw’ge lichtglans onderhoudt

der zeven kandelaren! [3]

 

2. Ontzettende geheimenis!

Die was, Die wezen zal, Die is,

is Eén en Drie te gader!

God is een Geest, Die niemand zag,

geen schepsel immer naad’ren mag!

Lof zij d’onzicht’bre Vader!

God is in ’t vlees geopenbaard, [4]

gehoord, gezien, getast op aard! [5]

Hosanna onze Heere!

God is een God, Die ’t Al behoudt,

met geest en leven zevenvoud;

de Heil’ge Geest zij d’ ere!

 

3. O Geest, geleid ons tot de Zoon!

Breng ons, o Heer, voor ‘s Vaders troon!

Schenk ons de Geest, o Vader!

Bij deez’ verborgen wenteling

in Uwe goddelijke kring

koom ‘t hart U immer nader,

totdat we, ontheven van dit stof,

uitgalmen in Uw hemelhof

met al Uw dienaars samen;

de zeven Geesten voor de troon

zij, met de Vader en de Zoon,

lof en aanbidding! Amen!

 

4. Schenk ons de Geest, o Vader!

Bij d’ overzaal’ge wenteling

in deze Goddelijke kring

koom ’t hart U immer nader,

totdat w’, ontheven van dit stof,

uitgalmen in Uw hemelhof

met al Uw dienaars samen:

‘De zeven Geesten voor de troon

zij, met de Vader en de Zoon,

lof en aanbidding! Amen!’

 

[1] Deze benaming van de Heilige Geest, de Openbaring van Johannes eigen, ziet op de volmaaktheid en verscheidenheid

van Zijn gaven en werkingen; deze eigenschap wordt overal in de allegorische taal van de profetische schaduwen van

het Oude Testament, zowel als in dit heilige Boek van de apostel-profeet, door het zevental te kennen gegeven.

[2] Openb. 4:5; 5:6.

[3] Openb. 1:20. Zach. 4:12.

[4] 1 Tim. 3:16.

[5] 1 Joh. 1:1.

Anchor 1
Anker 2
Anchor 2
Anchor 4

Des harten binnenst’ overleg

Bidden

 

1. Des harten binnenst’ overleg,
gezegd, gezucht, gedacht!
Het trillen van een stille vlam
die naar de wolken tracht.

 

2. Het slaken van een ademtocht,
het vallen van een traan,
de blik naar boven van een oog –
door God alléén verstaan.

 

3. D’ eenvoudigheid, het kunstlooz’ waar
der kinderlijke taal,
maar aan wie plaats gegeven wordt
bij ’t eng’len lofkoraal.

 

4. Des christens kracht, des christens lust
des christens levenslucht,
zijn levenskracht in ’t uur des doods,
bij dood en hel geducht.

 

5. Des zondaars eerste stemgeluid,
die Jesus valt te voet.
Bij aller heem’len vreugdgejuich
door ’t Zie, hij bidt begroet. (Hand. 9:11)

 

6. Tot ’s Vaders eer, tot lof des Zoons,
in zin en wil en woord;
het door den Heil’gen Geest gewrocht
volzalig zielsakkoord!

 

7. Want bidden doet geen hart alléén,
één Geest dringt z’ allen door;
en op Zijn priesterlijken troon
gaat Jezus Zelf ze voor.

 

8. Gij Zelf, de Waarheid en de Weg,
ziet biddend op ons neêr,
hebt biddend onzen strijd volstreên –

leer Gij ons bidden, Heer’!

 

Naar ‘O Thou by whom we come to God’, James Montgomery (1771-1854)

Ezechiël

Het laatste gedeelte uit het gedicht ‘Ezechiël’, met name gebaseerd op Ezechiël 36.

 

Hoor, mensenkind! en profeteer,

En dat het Isrels bergen horen,

Wat tot u spreekt der Heeren Heer’,

Die zich ten tolk u heeft verkoren.

 

De spotkreet komt Mijn’ eer te na,

Door Isrels haters aangeheven:

‘Zijn eeuw’ge heuv’len werden, ha!

Zijn hoogten ons ten erf gegeven.’

 

Zo hoor, o Israëls gebergt’!

En hoort, gij stromen en gij dalen!

Het woord des Konings fel getergd,

En ’t reik’ tot ’s aardrijks verste palen!

 

Ja, hoort het, vesten lang verwoest!

En niet meer kenb’re stadsruïnen,

Wier ramp en roof getuigen moest

Van ’t ijvervuur des Ongezienen!

 

Zie! ’k geef Mijn liefde weder lucht.

Voleind zij ballingschap en kommer!

Uw bergen dragen weder vrucht,

Uw bomen schenken weder lommer.

 

Beroofd, geschonden, afgeplukt

Werd lang de Libanonse ceder,

Zijn wortels werden uitgerukt,

Zijn brede takken smakten neder!

 

Maar op die eigen Libanon

Doe Ik een hoofdtak wortel schieten;

De koest’ring zal hij van Mijn zon,

En van Mijn dauw het vocht genieten.

 

Dat ’s hemels voog’len immermeer

In schaduw schuilen van die ceder! –

Dat zal Ik geven, spreekt de Heer’,

Ik Die verhoog, Ik Die verneder! [1]

 

G’ ontheiligdet Mijn dienst en Naam,

Gij hebt uws afvals loon verkregen.

Het oog der volk’ren al te zaam

Zag u een toonbeeld Mijner wegen.

 

Doch eens (om uwentwille niet,

Maar ’t romm’len Mijner ingewanden!)

Voer Ik naar eigen grondgebied

Uw stammen op uit alle landen.

 

Gevonden wordt gij in uw bloed –

Rein water zal Ik op u plengen!

Van zonden, nooit naar eis geboet,

Zal Ik, Ik Zelf, u zuiver sprengen.

 

’k Neem van u weg het hart van steen;

Een vlezen hart zal Ik u geven,

Waar ’t heilgebod, steeds overtreên,

Dan door Mijn Geest wordt ingeschreven.

 

Ja, geven zal Ik u die Geest

Ten liefdebond, als nooit voordezen!

De voor’ge dingen zijn geweest!

Het zullen nieuwe tijden wezen.

 

Ik weer uw God, en gij Mijn volk,

U zelf ten walg om zondevlekken,

Die als een nevelende wolk

Ik, uw Ontfermer, op doe trekken.

 

Uw woestenij wordt weer een hof,

Een Gode welgevallig Eden!

Uit reeds vergeten puin en stof

Herrijzen hemelschoon uw steden.

 

Zaagt gij die graven opengaan? [2]

Zaagt gij die beend’ren zich bewegen?

Die doden op hun voeten staan,

Hun lange ruststeed’ uitgestegen?

 

Die beenderen zijn Isrels zaad!

Ik heb Mijn Geest in hen gegeven!

Hun naam, hun eer, hun kroon, hun staat –

’t Zal alles uit den dood herleven!

 

1852.

 

[1] Ezech. 17:22-24.

[2] Ezech. 37:1-14.

Hallelujah! Lof zij het Lam

1. Hallelujah! Lof zij het Lam,

Dat onze zonden op Zich nam,

Wiens bloed ons heeft geheiligd;

Die dood geweest is, en Hij leeft;

Die ’t volk dat Hij ontzondigd heeft,

In eeuwigheid beveiligt!

 

2. De Koning op des Vaders troon,

De Eerstgeboor’ne uit de doôn,

De Bloed- en Heilgetuige,

Der vorsten Vorst, der heren Heer,

Zij heerschappij en dank en eer!

Dat alle knie zich buige!

 

3. Lof zij het Lam, Gods Metgezel,

Uit Davids zaad, d’ Immanuël,

God, in het vlees verschenen!

In Hem, Die wederkomen zal,

In Hem aanbidde ’t gans heelal

Jehovah, de Drie-ene!

 

4. Aanbid de Vader in het Woord!

Aanbid de Zoon, aan ’t kruis doorboord!

Aanbid de Geest uit Beiden!

Van Zijn gemeenschap, Zijn genâ,

Zijn liefd’ en trouw, hallelujah,

Zal ons geen schepsel scheiden.

In diepten verzonken van leed en ellende

Een gedicht van de Jood Mr. Isaac da Costa (1798-1860), waarin hij terugblikt op zijn eertijds en zijn bekering; hij schreef het, 28 jaar oud, in 1826 ter inleiding op zijn hymne ‘God met ons’ (vier jaar eerder was hij als christen gedoopt in de Pieterskerk in Leiden). Ontroerend hoe hij beschrijft wat hij zag in de Messias toen God op hem neerzag en Christus zijn ogen opende!

 

Steeds die getallen vóór de regels is wel beetje mijn precisie, want ik ging ervanuit dat er een logische dichtmaat in zou zitten, en dat bleek om beurten 12, 11 te zijn. Door alle lettergrepen van alle regels te tellen kon ik wat foutjes opsporen in de tekst en weten waar er lettergrepen samengevoegd moesten worden. ’t Zou ook weer tijd kosten om de getallen te verwijderen, dus ik dacht: laat maar staan. Maar natuurlijk moeten ze worden overgeslagen met lezen! Hopelijk is het niet al te hinderlijk.

De cursieve woorden stonden in het origineel niet cursief, maar zo komt de terugkerende herhaling beter uit.

12 In diepten verzonken van leed en ellende,

11 het hart in bedwelmende dromen verward,

12 door prikkels van onrust, wier bron ik niet kende,

11 gedreven, gefolterd tot eind’looze smart,

12 heeft d’ aarde mij lang in mijn dorheid gedragen,

11 in morrende wanhoop aan wereld en lot:

12 een knagend verlangen verteerde mijn dagen,

11 een woede van honger naar zielengenot!

12 Ik zocht het, ik riep wat dit hart zich verbeeldde,

11 in alles wat d’ aarde verlokkendst belooft;

12 in brandende driften, in bruisende weelde,

11 in ridderverdienste, die ’t maagdenhart rooft,

12 in palmen, gewassen [1] voor wereldbedwing’ren,

11 in zangen, bewonderd door ’t luist’rend gewelf –

12 maar ’t schaduwbeeld vluchtte voor d’ indruk der ving’ren;

11 ’t was ijdelheid, ijd’ler dan d’ ijdelheid zelf!

 

12 In diepten des onheils verzonken, verloren,

11 versmachtte mijn ziel naar de levende God!

12 Maar ach, in de blindheid der zonde geboren,

11 bleef rust’looze woeling mijn pijnigend lot!

12 Hoe zoud’ ook het schepsel zich nog onderwinden

11 de Schepper te zoeken in ’t trouweloos hert? [2]

12 En waar is het licht dat Hem weder doet vinden,

11 Wiens beeld door de zond’ in ons uitgewist werd?

12 Dat licht kan geen heidense wijsheid doen schijnen,

11 geen stelsels, vergank’lijk als ’t wegsnellend ‘thans’,

12 geen boeteverord’ning van wet en rabbijnen,

11 geen eigengewillige dienst des verstands –

 

12 O God des ontfermens! Gij zaagt op mij neder,

11 en ’k werd tot een nieuwe bevatting herteeld!

12 In d’ Eniggeboren’ keert God tot ons weder,

11 in d’ Eniggeboren’, Zijn uitgedrukt Beeld!

12 Die Een’ge... Zijn hand heeft mijn ogen bestreken,

11 en ’t hartenbewindsel des ongeloofs viel.

 

12 Ik zag Hem, ik gaf mij! De hel is geweken;

11 de hemel gaat op uit Uw Woord in mijn ziel!

12 Ik zag Hem, beloofd aan de balling van Eden,

11 als ’t vlekkeloos Zaad der vernederde vrouw;

12 Die ’t dwangjuk der zonde te pletter zou treden,

11 de kop van de heldraak verbrijzelen zou!

12 Ik zag Hem, voorzegd in de stam der Hebreeuwen,

11 uit Abrahams lenden, uit koninklijk bloed,

12 de Spruit, Die, volbloeid in de rijpheid der eeuwen,

11 de scheidsmuur der heid’nen uitéén storten doet!

12 Ik zag Hem, geschaduwd op Sions altaren,

11 in offer en wetboek van Horebs verbond!

12 Ik zag Hem, de God-mens, Die ’t al moet verklaren,

11 door Israëls zieners aan ’t aardrijk verkond!

12 Ik zag Hem, de Wortel van Davids geslachte,

11 zijn Heer’ en zijn Koning, en tevens zijn Zoon!

12 De God van de hemel, d’ op aarde Verachte,

11 geheiligd, verheerlijkt door lijden en hoon;

12 een mense geworden voor mensenbehoefte,

11 voor mijn overtreding tot zonde gemaakt,

12 geslagen, gesmaad door dolzinnig geboefte,

11 aan ’t vloekhout doorboord, van God Zelven verzaakt!...

 

12 Mijn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler,

11 mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer’ en mijn God!

12 mijn Onheilverwinner, mijn Levensbezieler!

11 Gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot!

12 Voor U wil ik strijden, voor U wil ik lijden,

11 voor U wil ik d’ aarde doorgalmen van lof!

12 Aan U wil ik adem en levenskracht wijden,

11 tot d’ engel des levens [3] mij slaak’ [4] uit dit stof!

 

12 Zijt Gij, o mijn Koning! (Gij!) tot mij gekomen?

11 Hebt Gij hem gezocht die naar U niet en zag?

12 Zo was mij, zo baad mij in lout’rende stromen

11 des Geestes, Dien G’ uitzondt ten vijftigsten dag! [5]

12 Ja, stort in mijn aad’ren die kracht van geloven,

11 die hoogten terneerstort, en marmer verbreekt,

12 die hemelvuur inroept en afdwingt van boven,

11 en ijskoude harten in liefdebrand steekt!

12 Ja, geef mij te galmen met loven en danken,

11 in vlammende ijver, in worst’lende moed,

12 in lieflijke psalmen, in dond’rende klanken!

11 Vall’ hemel en aarde voor Jezus te voet!

 

[1] gegroeid

[2] hart

[3] in tegenstelling tot de Malach haMawet (engel des doods),

      die volgens de Joden de ziel uit het lichaam wegneemt

[4] losmake

[5] Het woord ‘pinkster’ komt van het Griekse woord pentecoste, vijftigste dag.

Pentecoste heette het tweede grote jaarfeest, het feest van de eerstelingen (Num. 28:26),

dat begon op de vijftigste dag na de tweede paasdag (Lev. 23:15-16).

Op het eerste ‘pinksteren’ na het eerste pasen is de wet door God op de berg Sinaï gegeven (Ex. 19:1,11).

 

 

Mijn zoon, mijn eersteling heeft zich een lid beleden

Aan mijn oudste zoon,

op de dag zijner bevestiging 

als lid der christelijke hervormde gemeente (1843)

Mijn zoon, mijn eersteling heeft zich een lid beleden,
werd als een lid begroet van Jezus’ kerk op aard’.
Heil hem! Heil deze dag! Met tranen en gebeden
ga stille lof en dank in onze ziel gepaard!
Ja, dank en lof aan Hem Die ’t oud’ren wilde geven
het kind, vóór achttien jaar met Zijnen Doop besprengd,
als jong’ling aan hun zij’ de stond te zien beleven
die aan ’t geschokte hart een nieuwe roepstem brengt.
Ja, tranen bij het zien op schuld, ellend’ en zonde,
maar tranen waar de blik op ’t Godslam heen door dringt,
Wie aan het hout des vloeks die schuld het hart doorwondde,
maar, aan dat hout geboet, in liefdes diepten zinkt.
Mijn zoon, hoor onze beê, en hoor’ haar God van boven!
De God des levens, der genade, des herstels,
Wien slechts de levende, de levende zal loven, [Jes. 38:19]
de God van Abraham, de Goël Israels!
‘O, laat ook dezen voor Uw aangezichte leven, [Gen. 17:18]
ook dezen spruit des volks, door U gekend weleer!
Hij leev’ een lid dier kerk die steeds U d’ eer zal geven,
veroverd op den dood door ’t sterven van haar Heer’!’

Mijn zoon, van d’ eeuw’ge God werd deze schat gegeven

Aan mijn zoon Abraham,

bij zijn aanneming

tot lid van de Waalse Gemeente [te Amsterdam] met een Bijbel (1848)

 

Mijn zoon, van d’ eeuw’ge God werd deze schat gegeven

Aan ‘s werelds volk’ren t’ zaam met Jakobs nageslacht.

Heb in dat woord ook gij uw heul, uw heil, uw leven.

Geen zilver of geen goud haalt bij zijn duur en kracht.

 

Zo vestig oog en hart steeds op dat Boek der boeken,

Doorgrond zijn diepe zin in eenvoud en gebeên,

En leer’ der vaad’ren God u dáár Hemzelve zoeken,

Die ‘t eerst ons heeft gezocht in Zijn barmhartigheên.

 

U laat ons ouderhart voor schat of kostbaarheden

Het somber uitzicht slechts op een geschokte tijd!

Is Jezus en Zijn liefde het uwe eens ingetreden

Zo zegg’ u, o mijn zoon, dit Boek, hoe rijk gij zijt.

 

Uit mijn eigen Frans, dat volgt:

 

Du Gardien de Jacob précieux héritage,

Réel plus que l’argent, durable plus que l’or,

Qu’il te soit avenir, jouissance, trésor –

Ce Livre, d’un Sauveur éternel témoignage.

 

Lis, relis-le sans cesse et médite son sens

D’un esprit humble et simple et d’un coeur en prières.

Retrouves-y ton Dieu dans le Dieu de tes pères,

Dont la fidélité visita tes parens.

 

Ah! si de ces parens l’impuissante tendresse

Ne te lègue ici bas rien qu’un siècle ébranlé,

S’ils te laissent Jésus, dans ton âme accepté,

Ce Livre, o notre fils! te dira ta richesse.

 

Letterlijke vertaling van het Frans:

 

Kostbare erfenis van de Bewaarder van Jakob,

Wezenlijker dan zilver, duurzamer dan goud,

Moge ze uw toekomst, genieting en schat zijn –

Dit boek, eeuwig getuigenis van een Zaligmaker.

 

Lees en herlees het zonder ophouden en overdenk de betekenis

Met een nederige en eenvoudige geest en een biddend hart.

Vind uw God in de God van uw vaderen,

Wiens getrouwheid uw ouders bezocht.

 

Ach, als de onmachtige tederheid van deze ouders

U hierbeneden niets vermaakt dan een wankelende wereld,

Als zij u Jezus nalaten, in uw ziel aangenomen –

Dan zal dit Boek, o onze zoon, u uw rijkdom aanzeggen.

Anchor 6
bottom of page