Mr. Isaac da Costa (1798-1860)

Hallelujah! Lof zij het Lam

1. Hallelujah! Lof zij het Lam,

Dat onze zonden op Zich nam,

Wiens bloed ons heeft geheiligd;

Die dood geweest is, en Hij leeft;

Die ’t volk dat Hij ontzondigd heeft,

In eeuwigheid beveiligt!

 

2. De Koning op des Vaders troon,

De Eerstgeboor’ne uit de doôn,

De Bloed- en Heilgetuige,

Der vorsten Vorst, der heren Heer,

Zij heerschappij en dank en eer!

Dat alle knie zich buige!

 

3. Lof zij het Lam, Gods Metgezel,

Uit Davids zaad, d’ Immanuël,

God, in het vlees verschenen!

In Hem, Die wederkomen zal,

In Hem aanbidde ’t gans heelal

Jehovah, de Drie-ene!

 

4. Aanbid de Vader in het Woord!

Aanbid de Zoon, aan ’t kruis doorboord!

Aanbid de Geest uit Beiden!

Van Zijn gemeenschap, Zijn genâ,

Zijn liefd’ en trouw, hallelujah,

Zal ons geen schepsel scheiden.

 

In diepten verzonken van leed en ellende

Een gedicht van de Jood Mr. Isaac da Costa (1798-1860), waarin hij terugblikt op zijn eertijds en zijn bekering; hij schreef het, 28 jaar oud, in 1826 ter inleiding op zijn hymne ‘God met ons’ (vier jaar eerder was hij als christen gedoopt in de Pieterskerk in Leiden). Ontroerend hoe hij beschrijft wat hij zag in de Messias toen God op hem neerzag en Christus zijn ogen opende!

 

Steeds die getallen vóór de regels is wel beetje mijn precisie, want ik ging ervanuit dat er een logische dichtmaat in zou zitten, en dat bleek om beurten 12, 11 te zijn. Door alle lettergrepen van alle regels te tellen kon ik wat foutjes opsporen in de tekst en weten waar er lettergrepen samengevoegd moesten worden. ’t Zou ook weer tijd kosten om de getallen te verwijderen, dus ik dacht: laat maar staan. Maar natuurlijk moeten ze worden overgeslagen met lezen! Hopelijk is het niet al te hinderlijk.

De cursieve woorden stonden in het origineel niet cursief, maar zo komt de terugkerende herhaling beter uit.

12 In diepten verzonken van leed en ellende,

11 het hart in bedwelmende dromen verward,

12 door prikkels van onrust, wier bron ik niet kende,

11 gedreven, gefolterd tot eind’looze smart,

12 heeft d’ aarde mij lang in mijn dorheid gedragen,

11 in morrende wanhoop aan wereld en lot:

12 een knagend verlangen verteerde mijn dagen,

11 een woede van honger naar zielengenot!

12 Ik zocht het, ik riep wat dit hart zich verbeeldde,

11 in alles wat d’ aarde verlokkendst belooft;

12 in brandende driften, in bruisende weelde,

11 in ridderverdienste, die ’t maagdenhart rooft,

12 in palmen, gewassen [1] voor wereldbedwing’ren,

11 in zangen, bewonderd door ’t luist’rend gewelf –

12 maar ’t schaduwbeeld vluchtte voor d’ indruk der ving’ren;

11 ’t was ijdelheid, ijd’ler dan d’ ijdelheid zelf!

 

12 In diepten des onheils verzonken, verloren,

11 versmachtte mijn ziel naar de levende God!

12 Maar ach, in de blindheid der zonde geboren,

11 bleef rust’looze woeling mijn pijnigend lot!

12 Hoe zoud’ ook het schepsel zich nog onderwinden

11 de Schepper te zoeken in ’t trouweloos hert? [2]

12 En waar is het licht dat Hem weder doet vinden,

11 Wiens beeld door de zond’ in ons uitgewist werd?

12 Dat licht kan geen heidense wijsheid doen schijnen,

11 geen stelsels, vergank’lijk als ’t wegsnellend ‘thans’,

12 geen boeteverord’ning van wet en rabbijnen,

11 geen eigengewillige dienst des verstands –

 

12 O God des ontfermens! Gij zaagt op mij neder,

11 en ’k werd tot een nieuwe bevatting herteeld!

12 In d’ Eniggeboren’ keert God tot ons weder,

11 in d’ Eniggeboren’, Zijn uitgedrukt Beeld!

12 Die Een’ge... Zijn hand heeft mijn ogen bestreken,

11 en ’t hartenbewindsel des ongeloofs viel.

 

12 Ik zag Hem, ik gaf mij! De hel is geweken;

11 de hemel gaat op uit Uw Woord in mijn ziel!

12 Ik zag Hem, beloofd aan de balling van Eden,

11 als ’t vlekkeloos Zaad der vernederde vrouw;

12 Die ’t dwangjuk der zonde te pletter zou treden,

11 de kop van de heldraak verbrijzelen zou!

12 Ik zag Hem, voorzegd in de stam der Hebreeuwen,

11 uit Abrahams lenden, uit koninklijk bloed,

12 de Spruit, Die, volbloeid in de rijpheid der eeuwen,

11 de scheidsmuur der heid’nen uitéén storten doet!

12 Ik zag Hem, geschaduwd op Sions altaren,

11 in offer en wetboek van Horebs verbond!

12 Ik zag Hem, de God-mens, Die ’t al moet verklaren,

11 door Israëls zieners aan ’t aardrijk verkond!

12 Ik zag Hem, de Wortel van Davids geslachte,

11 zijn Heer’ en zijn Koning, en tevens zijn Zoon!

12 De God van de hemel, d’ op aarde Verachte,

11 geheiligd, verheerlijkt door lijden en hoon;

12 een mense geworden voor mensenbehoefte,

11 voor mijn overtreding tot zonde gemaakt,

12 geslagen, gesmaad door dolzinnig geboefte,

11 aan ’t vloekhout doorboord, van God Zelven verzaakt!...

 

12 Mijn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler,

11 mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer’ en mijn God!

12 mijn Onheilverwinner, mijn Levensbezieler!

11 Gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot!

12 Voor U wil ik strijden, voor U wil ik lijden,

11 voor U wil ik d’ aarde doorgalmen van lof!

12 Aan U wil ik adem en levenskracht wijden,

11 tot d’ engel des levens [3] mij slaak’ [4] uit dit stof!

 

12 Zijt Gij, o mijn Koning! (Gij!) tot mij gekomen?

11 Hebt Gij hem gezocht die naar U niet en zag?

12 Zo was mij, zo baad mij in lout’rende stromen

11 des Geestes, Dien G’ uitzondt ten vijftigsten dag! [5]

12 Ja, stort in mijn aad’ren die kracht van geloven,

11 die hoogten terneerstort, en marmer verbreekt,

12 die hemelvuur inroept en afdwingt van boven,

11 en ijskoude harten in liefdebrand steekt!

12 Ja, geef mij te galmen met loven en danken,

11 in vlammende ijver, in worst’lende moed,

12 in lieflijke psalmen, in dond’rende klanken!

11 Vall’ hemel en aarde voor Jezus te voet!

 

[1] gegroeid

[2] hart

[3] in tegenstelling tot de Malach haMawet (engel des doods),

      die volgens de Joden de ziel uit het lichaam wegneemt

[4] losmake

[5] Het woord ‘pinkster’ komt van het Griekse woord pentecoste, vijftigste dag.

Pentecoste heette het tweede grote jaarfeest, het feest van de eerstelingen (Num. 28:26),

dat begon op de vijftigste dag na de tweede paasdag (Lev. 23:15-16).

Op het eerste ‘pinksteren’ na het eerste pasen is de wet door God op de berg Sinaï gegeven (Ex. 19:1,11).

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)