Isaac Watts (1674-1748)

De puriteinse predikant en dichter Isaac Watts (1674-1748) schreef zo’n 750 hymnes.

Zie hier voor zijn Psalms and Hymns.

Awake, my heart; arise, my tongue

Spiritual Apparel (Isa. 61:10)

 

1. Awake, my heart; arise, my tongue,

Prepare a tuneful voice;

In God, the life of all my joys,

Aloud will I rejoice.

 

2. ’Tis He adorned my naked soul,

And made salvation mine;

Upon a poor polluted worm

He makes His graces shine.

 

3. And lest the shadow of a spot

Should on my soul be found,

He took the robe the Saviour wrought,

And cast it all around.

 

4. How far the heavenly robe exceeds

What earthly princes wear!

These ornaments, how bright they shine!

How white the garments are!

 

5. The Spirit wrought my faith, and love,

And hope, and every grace;

But Jesus spent His life to work

The robe of righteousness.

 

6. Strangely, my soul, art thou arrayed

By the great sacred Three!

In sweetest harmony of praise

Let all thy powers agree.

Geestelijke kleding (Jes. 61:10)

1. Waak op, mijn hart, rijs op, mijn tong,

Zorg voor een melodieuze stem;

In God, het leven van al mijn vreugden,

Zal ik luide vrolijk zijn.

 

2. Hij is het Die mijn naakte ziel versierde,

En de zaligheid tot de mijne maakte;

In een arme, onreine worm

Doet Hij Zijn genadegaven schitteren.

 

3. En opdat zelfs geen schaduw van een vlek

Op mijn ziel gevonden zou worden,

Nam Hij de mantel die de Zaligmaker maakte,

En wierp die helemaal om mij heen.

 

4. Hoe ver overtreft de hemelse mantel

Dat wat aardse vorsten dragen;

Deze sieraden, hoe helder schitteren ze!

Deze klederen, hoe wit zijn ze!

 

5. De Geest werkte mijn geloof en liefde

En hoop, en iedere genade;

Maar Jezus besteedde Zijn leven om

De mantel der gerechtigheid te maken.

 

6. Wonderbaar, mijn ziel, bent u bekleed

Door de heerlijke, heilige Drie!

In de zoetste harmonie van lofprijzing

Laten al uw vermogens samenstemmen.

 

Blest are the humble souls that see

Berijming van de Zaligsprekingen

1. Blest are the humble souls that see

Their emptiness and poverty;

Treasures of grace to them are given,

And crowns of joy laid up in heaven.

 

2. Blest are the men of broken heart,

Who mourn for sin with inward smart;

The blood of Christ divinely flows,

A healing balm for all their woes.

 

3. Blest are the meek, who stand afar

From rage and passion, noise and war;

God will secure their happy state,

And plead their cause against the great.

 

4. Blest are the souls that thirst for grace,

Hunger and long for righteousness;

They shall be well supplied and fed,

With living streams and living bread.

 

5. Blest are the men whose hearts do move

And melt with sympathy and love;

From Christ the Lord they shall obtain

Like sympathy and love again.

 

6. Blest are the pure, whose hearts are clean

From the defiling powers of sin;

With endless pleasure they shall see

A God of spotless purity.

 

7. Blest are the men of peaceful life,

Who quench the coals of growing strife;

They shall be called the heirs of bliss,

The sons of God, the God of peace.

 

8. Blest are the sufferers who partake

Of pain and shame for Jesus’ sake;

Their souls shall triumph in the Lord;

Glory and joy are their reward.

 

 

1. Zalig zijn de nederige zielen, die

Hun leegheid en armoede zien;

Schatten van genade worden hun gegeven

En kronen van vreugde in de hemel weggelegd.

 

2. Zalig zijn de mensen met een gebroken hart,

Die treuren over de zonde met innerlijke smart;

Het bloed van Christus vloeit op Goddelijke wijze,

Een helende balsem voor al hun ellenden.

 

3. Zalig zijn de zachtmoedigen, die ver af staan

Van woede en hartstocht, rumoer en oorlog;

God zal hun gelukkige staat verzekeren

En hun zaak tegen de groten bepleiten.

 

4. Zalig zijn de zielen die dorsten om genade,

Hongeren en verlangen naar de gerechtigheid;

Zij zullen welvoorzien en gevoed worden,

Met levende stromen en levend brood.

 

5. Zalig zijn de mensen wier harten bewogen zijn

En versmelten van medeleven en liefde;

Van Christus de Heere zullen ze ook

Zulk medeleven en liefde terug ontvangen.

 

6. Zalig zijn de reinen, wier harten zuiver zijn

Van de verontreinigende machten van de zonde;

Met eindeloos genoegen zullen zij

Een God van vlekkeloze reinheid zien.

 

7. Zalig zijn de mensen met een vreedzaam leven,

Die de kolen van oplopende twist uitdoven;

Zij zullen de erfgenamen der gelukzaligheid genaamd worden,

De kinderen van God, de God des vredes.

 

8. Zalig zijn de lijdende mensen, die delen

In pijn en schande om Jezus’ wil;

Hun zielen zullen zegevieren in de Heere;

Heerlijkheid en vreugde zijn hun beloning.

 

Come, Holy Spirit, heavenly Dove

1. Come, Holy Spirit, heavenly Dove,

With all Thy quick’ning powers;

Kindle a flame of sacred love

In these cold hearts of ours.

 

2. Look how we grovel here below,

Fond of these trifling toys;

Our souls can neither fly nor go

To reach eternal joys.

 

3. In vain we tune our formal songs,

In vain we strive to rise;

Hosannas languish on our tongues,

And our devotion dies.

 

4. Dear Lord! and shall we ever live

At this poor dying rate?

Our love so faint, so cold to Thee,

And Thine to us so great?

 

5. Come, Holy Spirit, heavenly Dove,

With all Thy quick’ning powers;

Come, shed abroad the Saviour’s love

And that shall kindle ours.

1. Kom, Heilige Geest, hemelse Duif,

Met al Uw levendmakende krachten;

Ontsteek een vlam van heilige liefde

In deze koude harten van ons.

 

2. Zie toch hoe wij hierbeneden rondkruipen,

Zo dol op waardeloze speeltjes;

Onze zielen zijn niet in staat om weg te vliegen

En de eeuwige vreugden te bereiken.

 

3. Tevergeefs zingen we onze formele zangen,

Tevergeefs proberen we op te rijzen;

De hosanna’s kwijnen weg op onze tongen,

En onze toewijding sterft.

 

4. Lieve Heere! en zullen we dan altijd

In deze arme, stervende toestand leven?

Onze liefde zo zwak, zo koud voor U,

En Uw liefde tot ons zo groot?

 

5. Kom, Heilige Geest, hemelse Duif,

Met al Uw levendmakende krachten;

Kom, stort de liefde van de Zaligmaker uit,

En die zal onze liefde ontsteken.

 

Jesus shall reign where’er the sun

Een gedeelte van Psalm 72 in de berijming van de puriteinse predikant en dichter Isaac Watts (1674-1748), met een kort ‘zendingsverhaal’.

 

Zo’n twee eeuwen geleden werden alle Zuidzee-eilanden bevolkt door de wildste kannibalen. Tot de barbaarste stammen onder hen behoorde wel het volk van Tonga. In 1821 werden de inboorlingen van het eiland Fiji, waar veel inwoners christen geworden waren, opgeschrikt toen ze een oorlogskano van Tonga snel de kust zagen naderen. Degenen die erin zaten, waren echter niet gekomen om te moorden, maar – wie had dat ooit gedacht – om een Bijbel te kopen!

De mensen van Tonga hadden over de godsdienst van de witte man gehoord en wilden er meer van weten. Ze hadden al eerder een kano gestuurd, maar daarvan was nooit meer iets vernomen. Nu, tijdens deze tweede expeditie, hadden ze 400 km. in hun wankele vaartuig over de open zee geroeid om een exemplaar van het Boek van de christenen te bemachtigen. Ze hadden er helemaal niet aan gedacht dat het totaal geen zin zou hebben, aangezien niemand van hen kon lezen! Maar... een zendeling ging met de groep mee en het werk op Tonga en de naburige eilanden werd zo gezegend dat op pinksterzondag 1862 een zeer opmerkelijke bijeenkomst plaatsvond.

Onder de wijdverspreide takken van de banyanbomen kwamen enkele duizenden inboorlingen van Tonga, Fiji en Samoa bijeen onder leiding van koning George, de oude inlandse monarch die in zijn jonge jaren zelf kannibaal geweest was, maar nu een toegewijd volgeling van de Heere Jezus Christus was. Hij had zijn volk bijeengeroepen om zijn eilanden tot ‘christelijk’ uit te roepen en ze een nieuwe grondwet te geven, waarin hij het heidense in een christelijk staatsbestuur veranderde.

Allereerst kwamen ze nu samen om een eredienst te houden. Vooraan onder hen allen zat koning George zelf. Hij werd omringd door oude opperhoofden en krijgers die hun aandeel hadden gehad in de gevaren van menig gevecht en die, net als hun vorst, in de dikke duisternis en zonden van het heidendom hadden geleefd. Maar nu verheugden allen zich tezamen in de vreugde van die grote dag, terwijl hun gezichten straalden van christelijke blijdschap, liefde en hoop.

Het intense gevoel waarvan blijk gegeven werd toen de plechtige dienst begon, was onbeschrijfelijk. De hele schare zong de woorden, in hun eigen taal vertaald, van een gedeelte van Psalm 72 in de berijming van Isaac Watts.

Zij waren uit de heidense duisternis bevrijd en kwamen die dag voor de eerste keer samen onder een christelijke grondwet en onder een christelijke koning, terwijl Christus Zelf in hun harten heerste. Wie kon de volle betekenis van deze woorden beter inleven en beseffen dan hen?

 

 

1. Jesus shall reign where’er the sun

Doth his successive journeys run;

His kingdom stretch from shore to shore,

Till moons shall wax and wane no more.

 

2. Behold the islands, with their kings,

And Europe her best tribute brings;

From north to south the princes meet,

To pay their homage at His feet.

3. There Persia, glorious to behold;

There India shines in Eastern gold;

And barbarous nations, at His word,

Submit, and bow, and own their Lord.

 

4. For Him shall endless prayer be made,

And praises throng to crown His head;

His Name, like sweet perfume, shall rise

With every morning sacrifice.

 

5. People and realms of every tongue

Dwell on His love with sweetest song;

And infant voices shall proclaim

Their early blessings on His Name.

 

6. Blessings abound where’er He reigns:

The prisoner leaps to lose his chains,

The weary find eternal rest,

And all the sons of want are blest.

 

7. Where He displays His healing power,

Death and the curse are known no more;

In Him the tribes of Adam boast

More blessings than their father lost.

 

8. Let every creature rise and bring

Peculiar honours to our King;

Angels descend with songs again,

And earth repeat the loud Amen.

 

1. Jezus zal heersen, overal waar de zon

Onophoudelijk haar reizen maakt;

Zijn Koninkrijk zal zich uitstrekken van kust tot kust,

Totdat de manen niet meer wassen en afnemen.

 

2. Ziedaar de eilanden met hun koningen,

En Europa brengt haar beste tribuut;

Van noord tot zuid komen de vorsten samen

Om aan Zijn voeten hun hulde te brengen

 

3. Daar is Perzië, heerlijk om te zien;

Daar schittert India in oosters goud;

En barbaarse naties, op Zijn woord,

Onderwerpen zich, en buigen, en erkennen hun Heere.

 

4. Voor Hem zullen eindeloze gebeden gedaan worden,

En lofzangen zich verdringen om Zijn hoofd te kronen;

Zijn Naam zal als een zoete reuk opstijgen

Met elk morgenbrandoffer.

 

5. Volken en koninkrijken van alle talen

Staan in de zoetste gezangen stil bij Zijn liefde;

En de stemmetjes van zuigelingen zullen

Al vroeg hun zegeningen over Zijn Naam uitspreken.

 

6. Zegeningen zijn er in rijke mate, overal waar Hij regeert:

De gevangene springt op om zijn ketenen te verliezen,

De vermoeiden vinden eeuwige rust,

En alle kinderen der nooddruft worden gezegend.

 

7. Waar Hij Zijn helende kracht tentoonspreidt,

Worden de dood en de vloek niet meer gekend;

In Hem beroemen de geslachten van Adam zich

Op meer zegeningen dan hun vader verloren heeft.

 

8. Laten alle creaturen opstaan en onze Koning

Bijzondere eerbewijzen toebrengen;

Engelen opnieuw met gezangen neerdalen,

En de aarde het luide ‘Amen’ herhalen.

Joy to the world! the Lord is come!

Dit lied is gebaseerd op Psalm 98:4-9 en werd in 1719 gepubliceerd in Watts’ verzameling The Psalms of David: Imitated in the language of the New Testament, and applied to the Christian state and worship (‘De Psalmen van David: berijmd in de taal van het Nieuwe Testament en toegepast op de christelijke staat en aanbidding’).

1. Joy to the world! the Lord is come!

Let earth receive her King;

Let every heart prepare Him room,

And heaven and nature sing.

 

2. Joy to the world! the Saviour reigns!

Let men their songs employ,

While fields and floods, rocks, hills and plains

Repeat the sounding joy.

 

3. No more let sins and sorrows grow,

Nor thorns infest the ground;

He comes to make His blessings flow

Far as the curse is found.

 

4. He rules the world with truth and grace,

And makes the nations prove

The glories of His righteousness,

The wonders of His love.

1. Vreugde voor de wereld! de Heere is gekomen!

Laat de aarde haar Koning ontvangen;

Laat ieder hart Hem plaats bereiden,

En de hemel en de natuur zingen.

 

2. Vreugde voor de wereld! de Zaligmaker regeert!

Laten mensen hun zangen aanheffen,

Terwijl velden en wateren, rotsen, heuvels en vlakten

De schallende vreugde weerkaatsen.

 

3. Laten zonden en smarten niet langer groeien,

Laten doornen de grond niet meer teisteren;

Hij komt om Zijn zegeningen te doen stromen

Zo ver de vloek gevonden wordt.

 

4. Hij regeert de wereld met waarheid en genade,

En doet de volken smaken

De heerlijkheden van Zijn gerechtigheid,

De wonderen van Zijn liefde.

 

 

O God, our Help in ages past  /  O God, Die droeg ons voorgeslacht

 

 

 

1. Betoon mededogen, Heere, o Heere, vergeef;

Laat een berouwhebbend rebel leven;

Zijn Uw barmhartigheden niet ruim en vrij?

Mag een zondaar niet op U vertrouwen?

 

2. Een gebroken hart, mijn God, mijn Koning,

Is heel de offerande die ik breng;

De God der genade zal nooit verachtend neerzien

Op een gebroken hart als offerande.

 

3. Mijn ziel ligt vernederd in het stof,

En erkent dat Uw vreselijke vonnis rechtvaardig is;

Zie neder, o Heere, met een meedogend oog,

En red deze ziel die ter dood veroordeeld is.

 

4. Dan zal ik de wereld Uw wegen leren,

Zondaars zullen dan Uw soevereine genade leren kennen;

Ik zal hen leiden tot het bloed van mijn Zaligmaker,

En zij zullen een vergevend God prijzen.

 

5. O, mag Uw liefde mijn tong inspireren!

Over de zaligheid zal heel mijn lied gaan;

En al mijn vermogens zullen zich paren tot lof van

De Heere, mijn Sterkte en Gerechtigheid.

Show pity, Lord, O Lord, forgive

 

Berijming van Psalm 51

1. Show pity, Lord, O Lord, forgive;

Let a repenting rebel live:

Are not Thy mercies large and free?

May not a sinner trust in Thee?

 

2. A broken heart, my God, my King,

Is all the sacrifice I bring;

The God of grace will ne’er despise

A broken heart for sacrifice.

 

3. My soul lies humbled in the dust,

And owns Thy dreadful sentence just:

Look down, O Lord, with pitying eye,

And save the soul condemned to die.

 

4. Then will I teach the world Thy ways;

Sinners shall learn Thy sovereign grace;

I’ll lead them to my Saviour’s blood,

And they shall praise a pardoning God.

 

5. O may Thy love inspire my tongue!

Salvation shall be all my song;

And all my powers shall join to bless

The Lord, my strength and righteousness.

 

When I survey the wondrous cross  /  Als ik het wond’re kruis aanschouw 

© 2016 by Ruth Pieterman (RuthInterpres)